Wild Amerikaans

De Engelse fotografe Jane Hilton reisde in haar Mustang door het Amerikaanse Westen, op zoek naar de cowboys van de Hollywoodfilms uit haar jeugd.

Mythe en realiteit van het Amerikaanse Westen zijn nauwelijks meer te scheiden. Dat geldt al helemaal voor de figuur die er, behalve de prairie-indiaan, de belichaming van is geworden, de cowboy. Hoe is het mogelijk dat de zwoegende, arme en vaak analfabete jongens die tijdens dodelijk vermoeiende en eentonige cattle drives miljoenen koeien naar de slachthuizen dreven, hét symbool werden van het avontuurlijke Wilde Westen?

Het is een vraag die zich opdringt, bladerend door het fotoboek van de Britse fotografe Jane Hilton, die 21ste-eeuwse cowboys portretteerde van Texas tot Nevada. Het zijn trotse mannen en jongens, die nog werken op ranches en volkomen lijken op te gaan in hun eigen mythe. Hun kleding, hun taalgebruik, hun interieur – alles ademt, zoals de fotografe schrijft, ‘een obsessie’ met hun eigen imago en cultuur. Volwassen mannen omringen zich op de foto’s met de parafernalia van wat toch vooral een jongensdroom was: hoeden, laarzen, hertengeweien en schilderijtjes van John Wayne. Het lijkt de ultieme cowboy-kitsch, vaag amusant maar vooral treurig.

Toch ligt het ingewikkelder. Cowboys en mythe zijn altijd samengegaan, ook toen ze nog echt achter de koeien aanliepen. De romantisering van de veedrijvers nam een hoge vlucht door de roman The Virginian (1902) van Owen Wister, een vriendje van de outdoor-president Theodore Roosevelt. In die roman werd de cowboy de ‘ridder van de prairie’, een moderne Ivanhoe die strijdt voor het simpele leven in de ongerepte natuur. In het boek komt geen koe voor, laat staan dat die er de hoofdrol in speelde (zoals in werkelijkheid).

The Virginian bezegelde het succes van de koeienjongen als nationaal icoon. Het was de tijd dat Angelsaksisch en protestants Amerika zich grote zorgen maakte over de golven van nieuwe, vooral katholieke en Zuid-Europese immigranten die over de Oostkust sloegen. Een sterke etnocentrische, of ‘nativistische’ reactie was het gevolg, waarin alleen nazaten van de eerste generaties immigranten werden beschouwd als echte Amerikanen. Die hadden immers de beschaving gevestigd. En voilà, daar was hun icoon: de ridder te paard, met witte hoed en revolver. En laat die koeien maar even zitten.

Maar niet alleen schrijvers aan de Oostkust met een hang naar cultureel protectionisme joegen de romantisering van de cowboy aan. Ook de koeienjongens zelf hadden er een handje van het leven on the trail mooier voor te stellen dan het was. Voor hen smaakten de weken met bonen, koffie, en tabakssap om de slaap uit je ogen te wrijven, ondanks alles naar het leven van ‘vrije jongens’. Vergelijkbaar met het zelfbeeld van vrachtwagenchauffeurs voor de komst van de tachograaf.

Die hang naar ongebonden leven in de open lucht had een sociale achtergrond. In de hoogtijdagen van de drijftochten (1865-1885) waren de meeste cowboys afkomstig uit het Amerikaanse Zuiden, dat een verpletterende nederlaag had geleden in de Burgeroorlog. Ze waren voor het overgrote deel jong, analfabeet én Democraat – in tegenstelling tot de triomferende Republikeinse Yankees. Het leven als cowboy bood een ontsnappingsmogelijkheid, maar was ook de bevestiging van hun positie als sociale misfits. De verwoording van dat zelfbeeld is te vinden in het nog atijd leesbare We Pointed Them North (1939), de autobiografie van cowboy Teddy ‘Blue’ Abbott, die deelnam aan tochten van Texas naar Colorado, Kansas en Montana.

Uit die tangbeweging van cultureel chauvinisme en zelf gestookte underdog-romantiek ontstond de nationale figuur van de ruige cowboy, de onafhankelijke en stoïcijnse Amerikaan, die alles trotseert: barbaarse indianen, corrupte stedelingen, op hol geslagen koeien, en natuurlijk de elementen.

Met haar foto’s van interieurs heeft Hilton dus een originele invalshoek gekozen: we zien de cowboys, jong en oud, nu eens niet eenzaam turend over de prairie of stoer achter zwerfkoeien aangalopperend, maar in huiskamers en slaapkamers. Bekeken door vreemde ogen krijgen ze daar iets ongemakkelijks en kwetsbaars. Is het wel ‘des cowboys’ om je te laten fotograferen in je slaapkamer, ook al is het met je Stetson op en een Winchester vlak achter je op bed? Of in je woonkamer met niet alleen een opgezette poema aan de muur maar ook zo’n kinderachtige glazen kikker in het raam?

De buitenfoto’s van Hilton maken ook iets anders duidelijk, zoals die van een desolate hoofdstraat in het gehucht Chugwater (Wyoming): de troosteloze realiteit van het rurale Amerikaanse Westen. Miljonairs als CNN-oprichter Ted Turner en de filmster Kevin Costner hebben er ranches gekocht, compleet met bizonkuddes, en daarnaast walsen jaarlijks miljoenen toeristen de vista points in Yellowstone en de Grand Canyon plat. Daartussen gapen hiaten van verarming en ontvolking. Staten als Noord-Dakota en Nebraska verliezen jaarlijks tienduizenden inwoners – en cowboys vinden er tegenwoordig eerder emplooi bij hereboerderijen en rodeo’s dan bij traditionele ranches.

Zo heeft de mythe uiteindelijk toch het laatste woord.

Jane Hilton, Dead Eagle Trail, € 39,90 isbn 9789053307175, Schilt Publishing, schiltpublishing.com

In september 2010 is er een expositie van de foto’s in LuxPhotoGallery te Amsterdam, luxphotogallery.com