Tate Modern betrok de massa bij hedendaagse kunst

Niemand verwachtte dat Tate Modern in een oude elektriciteitscentrale zo populair zou worden. Al 45 miljoen mensen bezochten het museum.

Tate Modern is deze week precies tien jaar open, en viert dat dit weekeind met een grootscheeps gratis kunstfestival. In die tien jaar is het museum, mede dankzij spectaculaire publiekstrekkers in de Turbinehal als Olafur Eliassons Weather Project uitgegroeid tot een ongehoord succes. Tate Modern heeft het landschap van de hedendaagse kunst getransformeerd, Londen op de kaart gezet als centrum van de kunstwereld, en een nieuw fenomeen in gang gezet: het museum als kermisattractie met kunst als publieksspektakel.

Toen Tate Modern opende in een achterstandsbuurt waar verder niets te beleven viel, had niemand kunnen voorzien hoe extreem succesvol het museum zou worden. De locatie voor het moderne filiaal van wat toen nog de Tate heette, nu Tate Britain, was niet onomstreden. „Hoe zullen de mensen deze plek ooit kunnen vinden”, vroeg een lid van de raad van bestuur seconden voor de opening aan Sir Nicholas Serota, directeur van de Tate musea.

Tien jaar later is de vraag een grap. Met 45 miljoen bezoekers in die periode is Tate Modern het best bezochte museum voor hedendaagse kunst ter wereld. De achterstandsbuurt is cultureel en sociaal compleet geregenereerd – Tate Modern draagt zo’n 100 miljoen pond per jaar bij aan de Londense economie. En bovenal heeft het museum hedendaagse kunst, vaak beschouwd als ‘moeilijk’ en ‘elitair’, ontsloten voor een groot publiek.

Dat succes is voor een fors deel te danken aan Vicente Todolí, directeur van Tate Modern sinds 2002. Todolí, die eerder musea in Porto en Valencia tot publiekstrekkers omvormde, vertrekt deze zomer omdat hij nergens langer dan zeven jaar wil blijven. „We nemen geen paternalistische of neerbuigende houding aan en we geven het publiek nooit de indruk dat hedendaagse kunst ze boven de pet gaat”, gaf hij de Spaanse krant El País als verklaring van zijn succes.

Net als Tate Britain was Tate Modern vanaf de opening gratis – dat had Serota met overheidssteun bedongen – wat ongetwijfeld aan de populariteit heeft bijgedragen. De collectie was, zeker bij opening, minder compleet dan die van andere grote internationale musea. Die lacunes werden kunstig verhuld met een thematische rangschikking van de kunstwerken, in plaats van het gebruikelijke chronologische overzicht. Daarnaast bracht het museum een reeks uiterst succesvolle tentoonstellingen van grootheden als Matisse, Picasso, Hopper, Warhol, Dalí, Rothko en Kahlo.

Een misschien nog belangrijker succesfactor was het dramatische gebouw zelf, en in het bijzonder de immense Turbinehal, die een attractie op zich was. Het bleek een gouden greep voor zowel museum als sponsor Unilever om die hal jaarlijks door een andere kunstenaar te laten vullen. Vanaf het begin waren die installaties gericht op publieksparticipatie en ervaring: Louise Bourgeois creëerde in 2000 torens met spiegels die beklommen moesten worden, en daarmee was de toon gezet. Latere werken, zoals Marsyas van Anish Kapoor en vooral de grote zon van Olafur Eliasson, leidden tot haast religieuze taferelen in de Turbinehal. In 2006 installeerde Carsten Höller glijbanen, waarmee de entertainmentfactor definitief de overhand leek te krijgen.

Het beleid van Tate Modern is dan ook niet zonder critici. „Zijn er nog grenzen nu? Durft iemand dit terug te draaien, te suggereren dat er nog andere waarden bestaan in de kunst behalve fun?”, schreef The Independent. De als conservatief bekendstaande criticus Brian Sewell noemde het museum „uitzonderlijk lui” omdat het zich volgens hem te veel richt op het verleden, op bekende twintigste-eeuwse kopstukken. „Als de Britse middenklasse iets weet van hedendaagse kunst is dat te danken aan Charles Saatchi.”

Ook een geplande uitbreiding van in totaal 23.000 vierkante meter, een uitbreiding van de oppervlakte van 60 procent en begroot op 215 miljoen pond, is niet met enkel enthousiasme begroet. Nog maar een derde van dat bedrag is toegezegd, de rest lijkt onzeker door de recessie. En critici vragen zich af wat de Tate – toch niet krap behuisd – met die extra ruimte wil doen. Zelfs Todolí heeft verhuld z’n bedenkingen geuit. „Musea die op uitbreiding gericht zijn vergeten het hier en nu. Ze concentreren zich uitsluitend op het gebouw, wat betekent dat de inhoud eronder lijdt.”

In The Art Newspaper deze maand schreef Serota over zijn plannen: „We zijn van plan te veranderen van een op het Westen georiënteerd museum dat met één stem spreekt en door één lens kijkt, in een veelstemmig instituut met het veelzijdige blikveld van het nieuwe internationalisme.” In The Times zei hij te willen uitbreiden omdat sponsors geen giften meer zullen schenken als ze denken dat die toch in de kelder belanden.

Ondertussen heeft het museum deze week aangekondigd de collectie flink uit te breiden met niet-westerse kunstenaars. Het draagt bij aan de algemene feestvreugde, die dit weekend zal culmineren in het festival No Soul For Sale, waaraan non-profit kunstorganisaties uit de hele wereld meewerken. Het is tenslotte, alle kritiek ten spijt, geen geringe verdienste om een massapubliek te hebben gecreëerd voor ‘lastige’ moderne kunst.