Sociale zekerheid is aan verdere activering toe

Sociale zekerheid is een van de grootste verworvenheden van de 20ste eeuw. Armenzorg was voordien langdurig en niet altijd effectief aan de kerken overgelaten. Als het aan Thorbecke gelegen had, was daaraan al met de Grondwet van 1848 een einde gemaakt. Pas na de Tweede Wereldoorlog legde de Staat de basis voor het systeem zoals dat er nu nog steeds is, zij het dat er uit financiële noodzaak vanaf de jaren tachtig enkele malen grondig aan is gesleuteld.

De bezuinigingen op de collectieve uitgaven die komende kabinetten moeten doorvoeren, zullen nieuwe ingrepen in de sociale zekerheid tot gevolg hebben. Maar zij zijn daarvoor niet de enige reden. Ook de arbeidsmarkt vraagt om een stelsel dat activerend werkt en liefst ook vereenvoudigd wordt. In het algemeen belang: de welvaart van een land en zijn bewoners ontstaat dankzij arbeidsproductiviteit en wordt groter of beter houdbaar naarmate de baten daarvan hoger zijn dan de kosten.

De ingrepen in de slotfase van de vorige eeuw en in het eerste decennium van deze eeuw hebben al tot enkele noodzakelijke versoberingen geleid. Het is niet meer zo eenvoudig voor werknemers om in een arbeidsongeschiktheidsregeling te geraken en te blijven of voor werkgevers om hen daar met zachte drang naartoe te duwen. De hoogte en de duur van WW-uitkeringen zijn enigszins beperkt. En betrekkelijk geruisloos is per 1 oktober 2009 voor jongeren zonder werk een wet van kracht geworden die de ledigheid bestrijdt. Gemeenten zijn gehouden werkloze jongeren tot 27 jaar of een baan of (verplichte) scholing aan te bieden.

Voor deze groep geldt meer dan ooit dat het belangrijkste kenmerk van een uitkering de tijdelijkheid ervan is, slechts bestemd voor een tussenfase die uitmondt in een (nieuwe) baan. Met uitzondering van gepensioneerden en volledig arbeidsongeschikten hoort dat voor iedereen zo te zijn. Dat vergt dus ook voor sociale (en fiscale) arrangementen die werken ten opzichte van een uitkering meer dan nu lonend maken.

Behalve dat van een uitkeringsgerechtigde inspanningen mogen worden verwacht om aan een reguliere baan te komen – scholing, sollicitatie – is er ook niets op tegen als hij een maatschappelijke tegenprestatie levert voor de uitkering die hij op kosten van de gemeenschap ontvangt.

Ten onrechte wordt er weleens denigrerend gedaan over de zogenaamde kunstbanen, werken met behouden van een (aangevulde) uitkering. Maar er is evident behoefte aan arbeidskrachten die werk doen dat ogenschijnlijk niet rendabel is, maar daarom nog wel nut heeft: conciërges of onderwijsassistenten die de taak van leerkrachten verlichten, controleurs in tram of bus, het onderhoud van de soms zo verslonsde openbare ruimte, taken in de zorgsector. Goed beschouwd is het een kwestie van organisatie en van semantiek of dit werk met behoud van uitkering heet dan wel arbeid voor laaggeschoolden in de (semi)publieke sector.

Hoe dan ook geldt straks voor de arbeidsmarkt: alle hens aan dek. Als de werkloosheid de krapte daarop straks niet meer verhult, zal het nodig zijn dat de AOW-leeftijd wordt verhoogd, dat gedeeltelijk arbeidsongeschikten aan de slag gaan, dat de WW slechts een tussenstap is, en dat vrouwen via de ‘aanrechtsubsidie’ niet langer worden gestimuleerd om geen betaalde baan te zoeken.