'Pubers zijn eigenlijk hele leuke mensen'

Van ‘Het puberende brein’ zijn inmiddels 70.000 exemplaren verkocht. Ouders zien in hersenonderzoeker Eveline Crone een supernanny. Helemaal nu de eindexamens volgende week beginnen. ‘Ik geef geen opvoedtips. Ik ben wetenschapper.’

Ouders stellen na haar lezing altijd dezelfde vragen. Wat moeten we met het nieuwe leren? Wat is het verschil tussen jongens en meisjes? Wat is het verschil tussen vwo- en vmbo-leerlingen? Hoe laat moet mijn kind opstaan? Moet ik mijn kind meer of minder vrijheid geven?

Dan zegt Eveline Crone steevast – „een stokpaardje” – dat ouders de externe prefrontale cortex van hun pubers moeten zijn. Net zolang tot dat hersengebied af is en ze zelf kunnen plannen en risico’s inschatten.

En dan?

„Dan zeggen ze: u zegt dat nu, maar mijn kind wil niks van mij aannemen. Dan zeg ik: je kunt ze niet binnenhouden tot ze 18 zijn. Ja, ik geef geen opvoedtips. Dat is nooit mijn bedoeling geweest.” 

Maar vooruit, nu de eindexamens eraan komen wil ze best deze tips geven: goed slapen (goed voor je geheugen) en tijdens het examen niet te dicht bij de knapste jongen of meisje van de klas gaan zitten (daar hebben de emotiegebieden in je hersenen het veel te druk mee).

Eveline Crone is 34 en hoogleraar neurocognitieve ontwikkelingspsychologie aan de Universiteit Leiden. In het Brain and Development Laboratory dat ze in 2005 aan de faculteit Sociale Wetenschappen opzette, bestudeert ze met een MRI-scanner hoe puberhersenen veranderen. Preciezer geformuleerd – daar houdt ze van – welke activaties in netwerken van hersengebieden correleren met bepaald gedrag bij adolescenten tussen 8 en 25 jaar, en hoe zich dat ontwikkelt. „Je mag stemmen als je achttien bent. Dan moet je toch wel ontzettend nieuwsgierig zijn hoe iemand zich vormt tot achttienjarige.”

Ze praat bevlogen over haar onderzoek, maar ook voorzichtig. Stellige uitspraken, over opvoeding of onderwijs, doet ze niet. „We vinden regelmatigheden in hersenactiviteit in samenhang met gedrag. Dat is waar we nu zijn.”  Als je haar vraagt naar haar familie, of hoe het is om zo jong, als vrouw, hoogleraar te zijn, dan zegt ze wel drie keer: „Ik ken de controleconditie niet.” En twee keer, na een stilte: „Ik moet écht meer aan introspectie doen.”

Haar lab publiceert het ene na het andere artikel in wetenschappelijke topbladen. Met haar collega’s onderzoekt Crone de neurale activiteit die bij sociale uitsluiting en beloning hoort, op welke manier jongeren over morele dilemma’s redeneren en hoe eerlijkheid eruit ziet in het jonge brein.

Anderhalf jaar geleden publiceerde ze een toegankelijk boek over haar bevindingen tot dan toe: Het Puberende Brein. Ze schreef dat hersengebieden zich in de puberteit niet even snel ontwikkelen. Daardoor kan het ene gebied de overhand hebben over het andere, afhankelijk van de situatie. Dat verklaart waarom pubers zo snel van humeur wisselen, of het moeilijk vinden om hun gedrag te remmen, en ‘dit is leuk’ zwaarder laten wegen dan ‘dit is gevaarlijk’. Ze illustreerde haar bevindingen met verhaaltjes over pubers op school en thuis.

Het boek sloeg aan. Binnenkort verschijnt de zeventiende druk. Er zijn nu ruim 70.000 exemplaren verkocht.

Crone wordt nog steeds gevraagd om lezingen voor ouders en docenten te geven, veel vaker dan waar ze tijd voor heeft. En nog steeds krijgt ze e-mails van bezorgde ouders, over een ontspoord kind, of een dochter die in handen van een loverboy is gevallen.

Wat doet u daarmee?

„Dan stuur ik een vriendelijke e-mail terug. Dan leg ik uit dat ik daar geen antwoord op heb, dat ik onderzoek doe op groepsniveau naar de normale ontwikkeling van jongeren. Jongeren met te veel problematiek includeren we niet in ons onderzoek. Ik ben geen clinicus.”

U schreef een toegankelijk boek en geeft lezingen aan ouders. Logisch dat ze u om opvoedtips vragen.

„Ik werd wel eens gevraagd om lezingen te geven over mijn onderzoek. Toen dacht ik: ik schrijf een boekje waarin ik goede nuances leg, dan voldoe ik aan die behoefte. Ik heb me niet gerealiseerd dat ik daarmee ook een behoefte creëerde. Het was niet mijn bedoeling om puberproblemen op te lossen. ”

Waarom slaat uw onderzoek zo aan?

„Er is een illusie dat als je naar de hersenen kijkt, je dichter bij de waarheid of de werkelijkheid komt. Of dat je dan de oorzaak van gedrag te pakken hebt. Dat is een misverstand. Je hebt bepaald gedrag en hersenactiviteit die daaraan gerelateerd is. Dat meten we, dat is mogelijk door de technische vooruitgang, en dat is heel interessant. Maar hersenactivatie is net zo variabel als gedrag. Je amygdala kan op zaterdag op de ene manier reageren, en de week erop, als je in een andere moodstate bent, op een andere manier. Het zegt niets over je persoonlijkheid. Ik wil niet zeggen dat ons werk niet nuttig is. Het was echt een nieuw inzicht dat bij pubers het ene hersengebied de overhand kan hebben over het andere. Maar of je daar nou alles mee kunt verklaren? Ik denk wel dat het heeft geleid tot wat meer begrip voor pubers.”

Ik ken ouders die uw boek hebben gelezen. Die zeggen nu tegen hun kinderen: jij kunt niet plannen, want jouw prefrontale cortex is nog niet af.

„Ja, ik ken het ook andersom. Tieners die mijn boek kopen voor hun ouders en zeggen: mij kan je niks meer kwalijk nemen.”

Wat hebben tieners aan uw werk?

„Ik hoor vaak bij lezingen dat ouders een beetje opgelucht zijn. Dat het normaal is dat hun zoon of dochter iets risicovols doet. Dat het niet alleen maar vervelend en recalcitrant gedrag is. Daar heb je niet per se hersenonderzoek voor nodig, hoor. Dat kun je van iedere psycholoog horen. ”

U verdedigt tieners een beetje.

„Je denkt zo snel: ze zijn aan het klieren, ze zijn vervelend. Hun imago is zo negatief. Maar het hoort erbij en het gaat vanzelf over. Ik zie ze zo vaak op een leuke manier. Pubers zijn eigenlijk hele leuke mensen.” 

Zelf was ze, zegt ze, een „doodnormale puber”. Ze groeide met haar oudere zus op in Schiedam. Haar vader was advocaat, haar moeder kinderarts. Op school was ze bezig met haar plek in de groep, zegt ze, en met wat anderen droegen, en of ze zou gaan roken. (Wat ze niet deed.) Af en toe spijbelde ze. „Ik was geen professortypje. Ik ben nooit blijven zitten, het leren ging me makkelijk af. Maar ik haalde geen hoge cijfers.”

Ze heeft wel eens „een beetje vergelijkend onderzoek” gedaan bij de Jonge Akademie van de KNAW, een groep van vijftig jonge hoogleraren waar ze sinds vorig jaar voorzitter van is. „Ik heb aan hen gevraagd: welke cijfers haalde jij op de middelbare school? Het zijn dus állemaal mensen die hele hoge cijfers haalden, zeg maar met een acht als laagste cijfer. Toen maakte ik me wel zorgen.”

Ze wilde naar Amsterdam en ze vond mensen interessant, daarom ging ze psychologie doen. Typisch pubergedrag, zegt ze. „Ik dacht: ik zie wel.” Pas in het tweede jaar, bij de specialisatie, kwamen de hoge cijfers. „Ik las alle boeken. Ik vond het zó leuk. Als docent weet ik nu dat dat de uitzondering is.”

In het laatste jaar van haar studie vertrok ze naar Pittsburgh voor een onderzoek naar het remmen van gedrag bij ADHD’ers. Bij terugkomst kreeg ze er een prijs voor de beste masterscriptie voor. Ze promoveerde cum laude in 2003, won een prijs voor de beste dissertatie, over hoe jongeren leren van gemaakte keuzes, en vertrok weer naar de VS, als postdoc aan de University of California. In 2005 kwam ze terug om als 29-jarige een lab op te zetten in Leiden. In 2009 werd ze hoogleraar. „Ik heb heel erg geluk dat ik doe wat ik zo leuk vind. Ik ben bezig met mijn hobby.”

Ze heeft er zichtbaar lol in. Een dag ervoor vertelt ze voor een zaal sociaal-psychologen hoe jonge breinen reageren op onderhandelspelletjes. Met gemak parafraseert ze vragen uit de zaal, ontwart concepten, legt uit hoe je verschillende processen kunt onderzoeken, en geeft nog een extra idee voor een experiment. Twee vrouwen achterin de zaal op fluistertoon: „Ik snap wel waarom ze zo succesvol is.” In de pauze belt ze naar haar man, om te horen of haar tweejarige dochter Sascha al wakker is.

Wat doet uw man?

„Hij heeft een dameskledingmerk. Hij werkt drie dagen in Amsterdam en twee dagen thuis. Ik ben al vanaf mijn 19de met hem samen. Toen ik mijn dochter kreeg, zeiden mensen: nu moet je combineren, dat is heel moeilijk. Maar het is juist heel makkelijk. Zij is gewoon het belangrijkste. Ik ben veel weg, maar als mijn man zegt: het is te veel, we missen je, dan draai ik dingen meteen terug.”

Dat kunt u ook?

„Dat denk ik wel. Het is heel praktisch. Als ik wakker lig van mijn werk, onderneem ik meteen actie. Ik laat me niet gek maken, ik doe alleen wat ik fijn vind.”

Zo word je toch niet op je 33ste hoogleraar met een eigen lab?

„Ik weet het ook niet. Ik krijg heel vaak vragen over vrouwen aan de top. Welke problemen ben jij tegengekomen? Maar ik ben niet zoveel problemen tegengekomen. Ik heb geen controlesituatie natuurlijk. Ik ben geen man. Mijn identiteit is niet per se mijn werk. En ook weer wel. Soms denk ik wel eens: deze trend kan niet doorgaan. Dit is wel heel veel aandacht opeens. Maar als ik de komende jaren geen subsidie meer krijg, dan ga ik gewoon een ander pad op. Misschien ben ik wel een belofte die niet uitkomt.”

Wat moet er dan nog uitkomen? U bent al hoogleraar.

„Hoogleraar is maar een titel. Ik ben niet bezig met titels. Aanzien is niet mijn ambitie. Maar ja, ondertussen is al wel veel gelukt.”

Om zo jong zo’n positie te krijgen moet je wel verbeten zijn.

„Dat is niet nodig. Maar ik ben niet naïef. Ik weet wel wat ik waard ben. Dat durf ik uit te spreken. Ik had vijf jaar geleden voor ogen wat ik wilde opzetten en ik had de overtuiging dat ik dat kon. Dat heb ik heel duidelijk gecommuniceerd. Als ik het hier niet kan, doe ik het ergens anders. Het is een luxepositie dat veel universiteiten willen investeren in brain and cognition. Leiden is een hele leuke universiteit, maar als dit vakgebied geen speerpunt was, had ik hier niet gezeten.”

De ontwikkelingspsychologen in Leiden waren enthousiast over de komst van Crone en haar neuro-lab, zegt ze. Op andere plekken was er scepsis onder psychologen. Ze begreep dat wel. „Kijk naar onderzoek naar planning bijvoorbeeld. Er wordt al dertig, veertig jaar gedragsmatig onderzoek gedaan naar planning bij tieners. Al dat onderzoek verdwijnt in artikelen en in de kast. Nu wordt er een hersenplaatje aangehangen en opeens is het de waarheid en gaat er geld heen. De psychologen zeggen dan: jongens, dit is echt heel gek. En mij wordt nu aan alle kanten gevraagd wat mijn hersenonderzoek betekent voor onderwijs. Nou, op dit moment nog weinig.”

Zo wilde de commissie-Dijsselbloem van Crone weten hoe het zat met puberhersenen en het nieuwe leren. Zelfstandig werken kan lastig zijn voor pubers, verklaarde ze. Maar, zei ze ook, er moet meer onderzoek komen voordat je een schoolsysteem op herseninzichten kunt aanpassen.

U geeft in uw boek anders wel veel voorbeelden van pubergedrag op school.

„In mijn boek zeg ik: dit is het, dit is wat we weten. Wij zijn pas net begonnen met het vergelijken van schoolniveaus. Alles wat we tot nu hebben onderzocht is met havo- en vwo-scholieren, terwijl 60 procent van de jongeren naar het vmbo gaat. En juist daar zijn de grootste problemen met het nieuwe leren. Iedereen die een beetje logisch nadenkt, kan toch begrijpen dat mijn onderzoek niet veel zegt over of methode 1 beter is op school of methode 2. Als je dat wil weten, moet je dat toetsen.”

Niet iedereen heeft een wetenschappelijke geest.

„Jaaa, kom op. Ook mensen met een wetenschappelijke geest lopen er te veel mee weg.”

Ze pakt een boek uit de kast: De Ontdekking van het Puberbrein van educatieve uitgeverij Bazalt. Er staan voorstellen in voor ‘breinvriendelijk onderwijs’. Dat soort boeken vindt ze voorbarig.

U zit in de rare situatie dat u het enthousiasme voor uw eigen vakgebied...

„... moet temperen. Ja, dat vind ik gek, ja.”

Zou u dat in een volgend boek meer benadrukken?

„Ik wil dat niet op mijn agenda hebben. Ik ben weer een paar stappen verder in mijn onderzoek. Als ik nog een boek schrijf, zou het weer zijn: dit is het onderzoek dat we hebben gedaan, hier ben ik razend enthousiast over.”

Voelt u geen maatschappelijke verantwoordelijkheid?

„Nauwelijks. Wel ten opzichte van mijn eigen onderzoeksresultaten. Die wil ik goed overbrengen. Ik wil de samenleving laten zien wat wetenschappers doen.” 

Niet om het onderwijssysteem te redden?

„Nee, nee, nee. Ik heb helemaal geen zin om een discussie te voeren over het onderwijs. Dat mag iemand anders doen. Je moet doen waar je goed in bent.”

Lang leve de lol?

Lacht: „Ja! Ik heb heel veel lol.”

Over andere grote hersenthema’s zoals verantwoordelijkheid of het bestaan van de vrije wil weigert ze uitspraken te doen. „Ik zou niet weten wat ik zou moeten zeggen.”

Dat weten andere hersenonderzoekers wel heel goed.

„Ik heb niet eens een hunch. Veel van wat er gebeurt in de hersenen, modelleren we als ruis. Als variatie die we niet kunnen verklaren. Het is ook nog een hele grote stap tussen onderzoek op moleculair niveau en op hersenscanniveau. Daar zijn we nog heel wat jaren mee bezig.”

U houdt niet van stellige uitspraken.

„Ik denk dat ik heel genuanceerd ben. Ook over politiek, bijvoorbeeld. Mensen hebben zo vaak kritiek op politici. Dan denk ik: het is helemaal niet makkelijk. De situatie verandert steeds. Ik kan me voorstellen dat je denkt: ja, mijn argumenten zijn hiervoor, maar in dat licht denk ik er toch anders over. Ik ben misschien wel blij dat ik wetenschapper ben. Wetenschappers zeggen continu: het zou dit kunnen betekenen, maar als we dit in ogenschouw nemen, kan het ook dat betekenen.”

Toen ze terugkwam uit Pittsburgh wilde ze weten of ze als hulpverlener wilde werken. Een half jaar lang liep ze stage bij een instituut voor kinderen met dyslexie en leerproblemen. Daar hielp ze met testen en adviseren. Het bleek niets voor haar. „Dan zat ik in het eindgesprek met een ouder die zei: ik weet niet wat ik moet doen. Als ik mijn kind nu naar speciaal onderwijs stuur, beïnvloed ik zijn hele leven. Als ik het niet doe, komt-ie misschien niet mee. Ik had de resultaten, ik kon het advies geven. Maar ik dacht: ik weet het óók niet. Ik durfde gewoon niet. Straks gaat hij naar het speciaal onderwijs omdat ík dat zeg. Als wetenschapper vind ik een methode die 80 procent van de tijd goed meet een precieze methode. Maar als je daar zit, dan geef je één op de vijf keer een verkeerd advies.”

Bent u daarom wetenschapper?

„Wetenschap is wel heel veilig.”

Hoezo?

„Je bent op een abstract niveau bezig, je hebt heel lang de tijd om over dingen na te denken. Ik denk soms wel vier jaar na over een probleem. In dat instituut was het drie weken en dan een advies geven. Ik heb wel veel respect voor mensen die dat goed kunnen. Ik wil me niet verschuilen in de wetenschap. Het past gewoon beter bij me. ”

Wat gaat u nu onderzoeken?

„We hebben nog helemaal niet gekeken naar verschillen tussen populaire en niet-populaire kinderen. Ik wil pubers met elkaar laten onderhandelen en dan onderzoeken of je anders onderhandelt met iemand van je eigen groep dan met iemand van de andere groep. Het lijkt me evident dat dat zo is. En we willen detecteren welke hersengebieden daar aan ten grondslag liggen.”

De vraag die Crone uiteindelijk wil beantwoorden, is wat adolescenten uniek maakt. Wat hebben zij dat volwassenen al weer kwijt zijn geraakt? „De dikte van de grijze stof in de hersenen piekt en daalt, dat is een bekend patroon. De piek zit in de adolescentie. Dat móet een betekenis hebben.”

Crone denkt dat er in de adolescentie een „outburst” van creativiteit is. „Als je dat maar goed triggert, want veel pubers hangen maar wat op de bank. Die moet je wel uitdagen.”

In de literatuur, zegt ze, wordt vaak gesproken over de gezondheid-gevarenparadox. Hoe kan het dat adolescenten fysiek op hun gezondst zijn, maar toch de meeste ongelukken hebben in het verkeer, of bij het sporten. „Blijkbaar is je blik op de wereld zo onervaren dat je in gevaarlijke situaties terechtkomt. Ik zou het graag zien als de gezondheid-mogelijkhedenparadox. Nou ja, dat is geen paradox. Maar tieners zien niet alleen gevaar, ze zien ook mogelijkheden. Ze zijn onbezonnen, out of the box. Daardoor kunnen ze unieke dingen meemaken. Dat vind ik toch wel heel fascinerend. ”