Op zoek naar Michelangelo

De Italiaanse kunsthistorici Antonio en Maria Forcellino hebben twee schilderijen ontdekt van Michelangelo, de renaissancemeester. Verslag van een fascinerende speurtocht.

De kans is klein dat er, verborgen in een privécollectie of museumdepot, nog onbekend werk opduikt van een formidabele renaissancemeester als Michelangelo di Lodovico Buonarroti Simoni (1475-1564), beter bekend onder alleen zijn voornaam Michelangelo. Toch hebben kunsthistorici, ook nog in de afgelopen decennia, zijn hand willen herkennen in nog onbekende tekeningen en sculpturen, of werken die doorgaans aan andere kunstenaars werden toegeschreven. De ene keer is zo’n toeschrijving overtuigender dan de andere, maar zeker is dat experts er steevast sceptisch op reageren.

Wie een poging wil wagen Michelangelo’s oeuvre nog iets uit te breiden, moet dus zeker van zijn zaak zijn. De Italiaanse kunsthistorici Antonio en Maria Forcellino zijn, na een fascinerende zoektocht in kunstcollecties, archieven en onderzoekslaboratoria, tot de conclusie gekomen dat hun vondst van twee ‘nieuwe’ Michelangelo’s de kritische toets kan doorstaan. Op vrijdag 14 mei hebben zij de resultaten van hun onderzoek gepresenteerd aan de eerbiedwaardige wetenschappelijke Accademia dei Lincei in Rome.

Maria Forcellino is docent en onderzoeker aan de universiteit van het Italiaanse Salerno. Sinds 1995 woont ze met haar Nederlandse man en twee dochters het grootste deel van het jaar in Amsterdam. Drie jaar geleden promoveerde ze aan de Universiteit van Amsterdam op een proefschrift over religieuze werken van Michelangelo (Michelangelo, Vittoria Colonna e gli ‘spirituali’, uitg. Viella, Rome). De belangstelling voor die kunstenaar deelt ze met haar broer Antonio. Hij is als restaurator betrokken geweest bij onder meer de recente schoonmaak van Michelangelo’s grafmonument voor paus Julius II in de kerk van San Pietro in Vincoli in Rome. Bovendien publiceerde hij in 2005 een veelgeprezen Michelangelo-biografie die in Nederland verscheen onder de titel Michelangelo. Een rusteloos leven (uitg. Nieuw Amsterdam).

De laatste jaren hebben broer en zus zich intensief beziggehouden met de intrigerende periode waarin Michelangelo nauw betrokken raakte bij religieuze hervormingen in het Rome van de jaren dertig en veertig van de zestiende eeuw. Ze claimen in particuliere collecties twee, nog vrijwel onbekende en niet eerder overtuigend aan Michelangelo toegeschreven schilderijen van de hand van de meester uit deze periode te hebben teruggevonden. Cruciaal in hun toeschrijving zijn de persoonlijke contacten van de kunstenaar, vooral in een netwerk van vrijdenkers in geloofskwesties.

Dat Michelangelo er een intense religieuze beleving op na hield wordt duidelijk uit zijn brieven en gedichten waarin het geloof (en ook zijn worsteling daarmee) een centrale plaats inneemt. In Rome kwam hij in contact met een groep intellectuelen en hooggeplaatste geestelijken die zichzelf spirituali noemden. Zij streefden vernieuwingen na binnen de Roomse kerk. De ideeën die ze aanhingen neigden naar regelrecht protestantse opvattingen over bijvoorbeeld de predestinatie en de doctrine van ‘rechtvaardiging door het geloof alleen’ (per sola fide). Toch waren deze ‘spirituali’ aanvankelijk zeer invloedrijk, tot op het niveau van het pauselijke hof. Maar na een pauswisseling in 1555 keerde het officiële kerkelijke tij zich tegen hun gewaagde opvattingen.

Tot dit gezelschap behoorde Reginald Pole, een Engelse kardinaal die bij het conclaaf over de opvolging van paus Paulus III in 1549 zelfs nog serieus papabile (potentieel geschikt voor het pausschap) werd geacht. Een ander lid van de groep was de dichteres Vittoria Colonna. Als jonge weduwe van de markies van Pescara wijdde zij zich aan het devote leven en de religieuze dichtkunst. Zij was een dierbare vriendin van Michelangelo, zoals blijkt uit hun briefwisseling en door hem aan haar opgedragen gedichten.

Paneelschilderingen

Uit zestiende-eeuwse bronnen weten we dat Michelangelo soms tekeningen van eigen hand cadeau deed aan goede vrienden. Zo schonk hij twee bladen aan Vittoria Colonna. Eén ervan toont de Kruisiging, met een voorstelling die zich beperkt tot Christus aan het kruis met aan weerszijden de bovenlichamen van twee bitter wenende engelen (nu in Boston, Isabella Stewart Gardner Museum). De andere is een Pietà, waarin het lichaam van de gestorven Christus omhoog wordt gehouden door twee engelen terwijl de Maagd Maria met naar de hemel gericht gelaat en opgeheven armen de dood van haar zoon beweent (Londen, British Museum). Ook kardinaal Reginald Pole blijkt werk van Michelangelo in zijn bezit te hebben gehad. Uit een brief van zijn collega Ercole Gonzaga blijkt dat deze een kopie wilde laten maken van een ‘voorstelling van Christus’ – waarschijnlijk ook een Pietà – van Michelangelo die zich bij Pole bevond. In de kunsthistorische literatuur is altijd aangenomen dat ook dit een tekening betrof. In haar proefschrift wierp Maria Forcellino drie jaar geleden al de hypothese op dat dit net zo goed een schilderij kan zijn geweest.

Dit getob over materiaal en techniek van een inmiddels mogelijk verdwenen kunstwerk lijkt futiel, maar is het niet. De kwestie van Michelangelo’s schilderijen is netelig. Uit alles blijkt dat de kunstenaar zichzelf in de eerste plaats beschouwde als beeldhouwer. Het was dan ook met tegenzin dat hij, op bevel van zijn toenmalige broodheer paus Julius II, in 1508 begon aan de beschildering van het plafond van de Sixtijnse kapel. Toch bracht Michelangelo met deze frescodecoratie een van de topwerken van de Italiaanse renaissanceschilderkunst tot stand. Al een paar jaar eerder had hij zich gewaagd aan een veel kleiner formaat: een rond paneel van ongeveer een meter hoog, met een voorstelling van de Heilige Familie. Ook van dit werk (Florence, Uffizi) straalt Michelangelo’s vlekkeloze beheersing af van zowel de menselijke anatomie als de techniek van het schilderen op klein formaat.

Wandschilderingen heeft Michelangelo later nog in grote hoeveelheden vierkante meters gemaakt, maar naast dit schilderij zijn er nog maar een of twee paneelschilderingen bekend die, soms ook nog met reserve, aan hem worden toegeschreven. Zeker als zijn uitzonderlijk lange carrière van meer dan zestig jaar in aanmerking wordt genomen, zijn er dus maar heel weinig ezelstukken van Michelangelo’s hand bekend. Kunsthistorici hebben altijd gezocht naar meer Michelangelo’s op paneel of doek.

Maria Forcellino volgde daarom het spoor van de raadselachtige Michelangelo in het bezit van Reginald Pole. Uit een brief van kardinaal Gonzaga blijkt dat deze inderdaad de Italiaanse term quadro (‘schilderij’) gebruikt voor het werk in Pole’s bezit dat hij wilde laten kopiëren. Dit wordt meestal afgedaan met de vaststelling dat de schrijver daarmee in feite niets anders dan ‘tekening’ bedoelde. In de kringen waarin deze geleerde clerici zich bewogen, werd de term pittura (‘schilderwerk’) immers ook wel voor tekeningen gebruikt. Maar Forcellino benadrukt dat dit alleen gebeurde in erudiete traktaten en niet in persoonlijke correspondentie.

„Daarbij”, stelt zij, „komt nog dat in het Italiaans ‘quadro’ weliswaar naar hetzelfde voorwerp kan verwijzen als ‘pittura’, maar het is wel van essentieel belang te beseffen dat het zelfstandig naamwoord ‘pittura’ is afgeleid van het werkwoord ‘pingere’ dat zowel schilderen als tekenen kan betekenen. Als het werkwoord ‘pingere’, afhankelijk van de context, zowel de betekenis van schilderen als tekenen kan hebben, is het begrijpelijk waarom de woorden ‘pittura’ en ‘disegno’ soms door elkaar worden gebruikt. Maar die logica laat zich niet toepassen op de termen ‘quadro’ en ‘disegno’. Dat zijn geen synoniemen.”

Uit de afrekening met de schilder die de kopie voor Gonzaga maakte (en kennelijk nog twee andere), blijkt dat hij wordt betaald voor het maken van ‘drie olieverfschilderijen naar de goddelijke Michelangelo’. Omdat kardinaal Gonzaga steeds duidelijk was geweest in zijn wens een exacte kopie – dus ook in dezelfde techniek – naar het origineel van Michelangelo te bezitten, kan worden geconcludeerd dat het geen tekening was, maar een schilderij dat Reginald Pole van de meester bezat.

Vergeten schilderijen

Nadat Forcellino daarmee had vastgesteld dat het helemaal niet zo onwaarschijnlijk is dat Michelangelo inderdaad meer losse schilderijen heeft gemaakt dan altijd werd aangenomen, ging ze op zoek naar mogelijk overgeleverde, vergeten exemplaren. Het lag voor de hand nog eens goed te kijken naar een groep kleine olieverfschilderijen met voorstellingen die dicht staan bij de composities van de tekeningen van Kruisiging en Pietà die Michelangelo voor Vittoria Colonna had gemaakt. Deze schilderijtjes worden over het algemeen beschouwd als aftreksels van die tekeningen. Ze zouden pas na Michelangelo’s dood zijn gemaakt door diens leerling Marcello Venusti (1512/15-1579).

Nader beschouwd blijkt het echter onwaarschijnlijk dat Venusti al deze werkjes heeft gemaakt. Naast het uitvoeren van nauwkeurige stilistische analyse, hebben Maria en Antonio Forcellino, in samenwerking met het Italiaanse technologische instituut ENEA, nieuw materiaaltechnisch onderzoek gedaan naar een aantal van deze werken. Onder meer is infrarood-reflectografie toegepast; een techniek die iets zichtbaar kan maken van wat zich ónder het oppervlak van een schildering bevindt. Infrarood licht reflecteert koolstof waardoor bijvoorbeeld voorbereidende tekeningen en onderliggende verflagen zichtbaar worden. Dat kan meer informatie verschaffen over de persoonlijke stijl en de werkwijze van de schilder.

Hieruit werd duidelijk dat het vrijwel onmogelijk is dat alle onderzochte schilderijen door een en dezelfde kunstenaar zouden zijn gemaakt. Bovendien bleek uit een schriftelijke bron dat tenminste één geschilderde Kruisiging (Rome, Galleria Doria Pamphilij) afkomstig is uit het bezit van de schilder Francesco d’Amadori, bijgenaamd ‘Urbino’ naar de stad waar hij vandaan kwam. Deze Urbino was een assistent en vriend van Michelangelo. Omdat hij overleed voor zijn meester, moet het schilderij al tijdens Michelangelo’s leven tot stand zijn gekomen en is het misschien ook wel door hemzelf geschilderd.

Een ander schilderij uit deze ‘groep-Venusti’, dat in werkelijkheid veel dichter bij Michelangelo zelf moet staan dan gedacht, is een geschilderde Pietà in particulier bezit in Dubrovnik in Kroatië. Het werk herhaalt vrij nauwkeurig de compositie van de tekening met hetzelfde thema die Michelangelo voor Vittoria Colonna had gemaakt. In de negentiende eeuw, toen kunsthistorici heel wat scheutiger waren met optimistische attributies, is het schilderij al eens aan Michelangelo toegeschreven. Daarna was het lang onbekend waar het werk gebleven was. Al die tijd is er niemand geweest die er serieus, en met de kennis van meer dan honderd jaar gespecialiseerd Michelangelo-onderzoek, naar heeft kunnen kijken.

De Forcellino’s hebben het schilderij enkele jaren geleden weten te traceren. Een combinatie van kunsthistorisch en technologisch onderzoek, en nieuwe conclusies over de oorspronkelijke eigenaar en diens contacten met Michelangelo, leidde tot de conclusie dat het schilderij inderdaad van de hand is van Michelangelo zelf.

Het onderzoek naar de verflagen heeft uitgewezen dat de schilder zichzelf op veel punten heeft gecorrigeerd. Dat duidt er op dat het geen kopie naar een ander werk is. Veeleer zijn dit de sporen van work in progress van een schilder die werkt aan een nieuwe compositie. Uit archiefonderzoek van Antonio Forcellino blijkt daarnaast dat het werk zich vroeger, zeker vanaf 1602 maar waarschijnlijk eerder, bevond in het aartsbisschoppelijk paleis van Ragusa (nu Dubrovnik). Van 1556 tot 1575 zwaaiden de Italianen Ludovico Beccadelli en Crisostomo Calvini daar de scepter. Voordat zij werden uitgezonden naar het toenmalige Dalmatië, waren zij in Rome vooraanstaande leden van de groep van ‘spirituali’ geweest en hebben Michelangelo zeker persoonlijk gekend. Bovendien was hun contact met kardinaal Reginald Pole zo nauw dat het zeer waarschijnlijk is dat een van hen de Pietà na Pole’s dood in 1558 uit diens collectie heeft geërfd.

Een Kruisiging voor Tommaso Cavalieri

De geschiedenis van een tweede schilderij, nu van de Kruisiging, is even fascinerend. Het werk bevindt zich in een particuliere collectie in Oxford en is nog nooit besproken in de Michelangelo literatuur. Pas in de zomer van 2009 heeft Maria Forcellino het paneel met eigen ogen kunnen bestuderen en met infrarood laten doorlichten. Haar conclusie was dat „het schilderij van een zeer hoge artistieke kwaliteit is, die duidt op een zeer bijzonder auteurschap”.

Michelangelo zelf? Verrassend is de informatie dat het werk zich tot aan het eind van de achttiende eeuw blijkt te hebben bevonden in het bezit van de familie van Tommaso Cavalieri (ca. 1509-1587). Deze Romeinse edelman heeft een belangrijke rol gespeeld in Michelangelo’s persoonlijk leven. De twee ontmoetten elkaar in 1532 voor het eerst – toen Cavalieri zo’n 23 jaar oud was en de kunstenaar ruim dertig jaar ouder. Er moet tussen hen een wederzijdse genegenheid en zelfs, zij het waarschijnlijk platonische liefde hebben bestaan, als we afgaan op de amoureuze gedichten die Michelangelo opdroeg aan Tommaso. De kunstenaar deed ook tekeningen aan zijn jongere vriend cadeau.

Forcellino is ervan overtuigd geraakt dat deze Kruisiging met Maria, Johannes de Evangelist en wenende engelen ook moet worden beschouwd als een eigenhandig geschenk van Michelangelo aan Tommaso. Naar deze geschilderde compositie zou hij dan later de tekening van hetzelfde thema (maar dan zonder de figuren van Maria en Johannes) voor Vittoria Colonna hebben gemaakt.

De ‘nieuwe’ Michelangelo’s zijn herkend op grond van stilistische argumenten, materiaaltechnisch onderzoek en gegevens over hun herkomst. Michelangelo’s persoonlijke relaties met de hervormingsgezinde ‘spirituali’ spelen daarbij een belangrijke rol. En daarin ziet Maria Forcellino nog een laatste bewijsgrond voor haar toeschrijving van Cavalieri’s Kruisiging. Die wordt immers gekenmerkt door een compositie die is teruggebracht tot slechts de essentiële figuren tegen een donkere achtergrond.

„Daarin”, zegt Forcellino, „klinkt een terugkeer door naar de basis van de betekenis van de Kruisiging zoals deze werd voorgestaan door de ‘spirituali’. En voor Michelangelo als beeldend kunstenaar houdt dat een terugkeer in naar uitbeeldingen van de Kruisiging uit de traditie van het middeleeuwse Toscane. Die eenvoud in de weergave van het thema duidt eens te meer op het auteurschap van Michelangelo.”