Onderwijsveranderingen moeten wel van bovenaf

Ton van Haperen legt op de Opiniepagina van 11 mei de vinger op de zere plek. De opvattingen over onderwijs hebben zich ontwikkeld als in een tweestromenland. Er zijn de reken-en-taalfanaten die almaar willen toetsen en selecteren en die kinderen zo snel mogelijk willen verdelen over scholen voor dommen en slimmen. En er is de stroming van de maatschappelijke stage, het competentiegericht onderwijs, het bijbrengen van zelfstandigheid. Het gaat niet allebei, betoogt Van Haperen terecht.

Maar ten onrechte betoogt hij dat verandering niet van bovenaf, van de overheid, moet komen. Het is voor de maatschappij wenselijk, zelfs noodzakelijk dat onderwijsprogramma’s vergelijkbaar zijn. Daarom is de inrichting van onderwijsprogramma’s gedelegeerd aan een stel mensen die we samen de overheid noemen. Natuurlijk moeten die mensen niet zo dom zijn een stageprogramma in te voeren zonder te kijken naar de rest van het programma.

In het tweestromenland kiest Van Haperen voor de reken-en-taalstroom. Mij lijkt belangrijker dat we de kinderen voorbereiden op volwassenheid. Dat doen we niet door van hen wandelende rekenmachientjes te maken en via rekenen keihard te selecteren. Daarmee wordt het onderwijs voor vele kinderen een zuur proces dat niets bijdraagt aan hun vorming. Ze hoeven niet gepamperd te worden. Ze moeten worden klaargemaakt voor een bijdrage aan de maatschappij, met op ieder mobieltje een rekenmachine.

Rob Knoppert

Vlijmen