Niet de Grieken moesten gered, maar (opnieuw) de banken

Je zult maar Griek zijn. Zij hebben zich de laatste tijd in Europa niet populair gemaakt. Sinds hun intrede in de eurozone hebben zij zich jarenlang kostelijk vermaakt met een stabiele munt en lage rentestanden, wat een ongekende luxe was in vergelijking met het tijdperk van hun vroegere munt, de drachme. Intussen gingen zij gewoon door met weinig belasting betalen en veel uitgeven op rekening van de overheid, gecombineerd met een ontspannen houding ten opzichte van schulden maken en boekhouden. Dat waren ze altijd zo gewend, en het werkte prima. Als ze in die tijd op de kapitaalmarkt wilden lenen, wisten de geldverschaffers dat ze daar risico’s mee liepen, en daar lieten zij zich voor compenseren met hogere rentetarieven. Dat duurdere geld zette vanzelf een rem op al te wild gedrag. En als het af en toe echt pijnlijk werd, was er altijd nog de nooduitgang van devaluatie. Dat maakte importgoederen duurder, wat leidde tot minder Griekse aankopen in het buitenland, en tegelijk werd alles wat Griekenland zelf te verkopen had, goedkoper. De laatste devaluatie, van 14 procent, stamt uit maart 1998. Alle Griekse zonvakanties en restaurants werden in één klap een stuk aantrekkelijker. Binnen een paar weken was er veel meer Duits, Engels en Nederlands te horen op de stranden van Samos en in de straten van Athene, en gerinkel in de kassaladen. Zo was het leven voordat de euro er was – je hoefde niet zo serieus te doen want er was altijd een uitweg, en de sleutel had je zelf in de hand.

Met de euro kwamen lage rente en goedkopere leningen, en de inflatie verdween. Allemaal voordelen! Intussen bleef het luchthartige economische gedrag hetzelfde, met lage productiviteit, veel uitgaven en toenemende schulden, ook aan het buitenland. Internationale geldverschaffers werden nerveus en dumpten hun vorderingen met zware kortingen, en nieuwe leningen waren alleen maar af te sluiten tegen woekerrentes. Zo werd ineens de prijs van het eurolidmaatschap pijnlijk duidelijk. De vertrouwde uitweg van devaluatie was dichtgemetseld: de drachme bestond niet meer, en over de euro heeft Griekenland bijna niets te zeggen. Er was in theorie nog één vluchtroute over, het heronderhandelen van bestaande schulden, het equivalent van wat in de particuliere sfeer schuldsanering is. Schuldeisers strepen dan een deel van hun vorderingen door, en er komt een soort bewindvoerder die harde bezuinigingen eist om de restantvordering veilig te stellen. De wereldbewindvoerder is steevast het IMF, dat tientallen jaren ervaring heeft in dat vak, grotendeels opgedaan in landen als Argentinië, Kenia en Pakistan.

Een Griekse schuldsanering levert echter een probleempje op. Van de Griekse buitenlandse schuld is volgens de Bank voor Internationale Betalingen zo’n 140 miljard euro in handen van Europese banken. Die hebben al zware klappen opgelopen in de eerste ronde van de kredietcrisis, en zagen nog meer ellende op zich af komen met de koersdaling van Griekse leningen. Als zij nog eens 40 tot 70 miljard moeten afboeken, met de zekerheid van meer problemen uit Portugal en Spanje, betekent dat een nieuwe wereldwijde financiële crisis, en moeten de Europese overheden opnieuw inspringen om de banken te redden. Er is nu 500 miljard euro toegezegd voor een pan-Europees stabiliteitsfonds, plus 250 miljard van het IMF, als garantie dat Griekenland en eventueel later andere eurolanden hun schulden zullen betalen. Hoe astronomisch het bedrag ook is, rechtstreeks het hele Europese bankensysteem stutten had meer gekost. Maar laat het vooral duidelijk zijn dat het daarom ging. Niet Griekenland moest gered worden, maar de banken. Die moeten vooral hun geld terugkrijgen, want ze hebben de hele economie in gijzeling. En de Grieken worden ervoor in de boeien geslagen.

Arme Grieken. Ze zijn de afgelopen weken geportretteerd als slampampers die fantoombaantjes bezetten, te vroeg met pensioen gaan en massaal de belastingen ontduiken – alsof dat een verrassing moest zijn voor de gretige leningverstrekkers van de afgelopen twintig jaar. De Grieken zitten klem. Devalueren, en zo alle Griekse goederen en diensten 14 procent goedkoper maken zoals in 1998, kan niet meer. Schulden heronderhandelen en bijvoorbeeld met de helft reduceren, mogen ze niet van de banken en de sidderende Europese politici. Het geld moet allemaal door de Grieken opgebracht worden, zonder dat ze middelen overhouden om hun verdienvermogen te herstellen. Goederen en diensten worden duurder, niet goedkoper, omdat er meer belastingen opgebracht moet worden die in de kostprijs gaan zitten. Dus wie gaat er volgend jaar nog met vakantie naar een duur Griekenland, dat bovendien wordt geteisterd door sociale onrust en waar niets meer te lachen valt? Niemand. De inkomsten zullen dalen, de uitgaven blijven onverminderd hoog.

Dit gaat geen bevolking of regering volhouden. Er is een parallel met het Duitsland van tussen de oorlogen, dat werd leeggebloed door herstelbetalingen en een wurggreep op zijn economie, en zo een voedingsbodem werd voor extreme politieke stromingen. Daar leed uiteindelijk iedereen schade van, inclusief de schuldeisers. Griekenland is Duitsland niet, en zal geen wereldoorlog ontketenen. Maar het ligt wel op een strategische plek in Europa, vlak tegen het instabiele Midden-Oosten aan. Mijn gok: Griekenland gaat alsnog, binnen een jaar en desnoods eenzijdig, de terugbetaling van zijn schulden bevriezen. Europese en ook internationale banken beginnen weer te wankelen en worden niet met miljarden, maar met biljoenen euro’s overeind gehouden. Europese overheden kunnen zelf niet meer lenen zonder zelf in problemen te komen. De biljoenen komen dus bij de Europese Centrale Bank vandaan, waar de geldpersen gierend uit de lagers lopen. En het jaar daarna zullen de banken weer winst maken en bonussen uitkeren. Maar dat zijn we gewend.