Niet de beste spreker wint de verkiezingen, maar hij die goed zijn woorden kiest

Met de juiste woordkeus zet de politicus het debat naar zijn hand. Zo versloeg Bush jr. tweemaal de veel betere sprekers Kerry en Gore. Ook in Nederland dringt het besef door. Mark my words, zegt Jan Kuitenbrouwer.

In de Volkskrant van 9 februari 2002 stond een interview met Pim Fortuyn. Er werd onder meer gesproken over Hans Janmaat, de voorman van de Centrum Democraten, die kort daarop zou overlijden. „Janmaat had gewoon voor een deel gelijk”, zei Fortuyn. „En door de demonisering waaraan uw krant ook heeft meegedaan, kon dat allemaal niet meer gezegd worden.”

Het was de introductie van het woord ‘demoniseren’ zoals we het nu kennen en gebruiken: het monddood maken van een politicus door een duivels beeld van hem op te roepen. Fortuyn heeft veel slimme dingen gedaan en misschien is dit wel het slimste. Met de term ‘demoniseren’ veranderde Fortuyn een debat in een samenzwering, in een kwaadaardige, eenzijdige lastercampagne tegen een argeloze politieke buitenstaander. In het trekken van een stiletto tijdens een vuistgevecht.

Hoe kun je je daartegen verweren? Door te zeggen: „Nee, ik demoniseer niet?” Zie je, dus het bestaat, denken mensen dan. En dat iemand die ‘demoniseert’ dat ontkent, is alleen maar logisch. Ook de ontkenning is een bevestiging. Het is als destijds met de Amerikaanse president Richard Nixon, die van malversaties beschuldigd werd en zich verdedigde met de woorden „I am not a crook”. Door dat woord in de mond te nemen, bracht hij de natie alleen maar op het idee dat hij wel eens een schurk zou kunnen zijn. Door zijn tegenstanders te dwingen om te ontkennen dat ze hem demoniseerden, demoniseerde Fortuyn juist zijn tegenstanders.

PVV-leider Geert Wilders gebruikt Fortuyns vinding dankbaar. Hij neemt als het om zijn tegenstanders gaat geen enkel blad voor de mond, maar zodra die eens tegen hém uitpakken wordt hij ‘gedemoniseerd’. Ook het terugkaatsen van de bal – „ú demoniseert, niet wij” – werkt niet. Dat wordt opgevat als een jij-bak, en daar houdt het publiek niet van. ‘Framing the debate’ wordt dat tegenwoordig genoemd: met een uitgekiende woordkeus het debat naar je hand zetten.

‘Frames’ zijn het antwoord op de vraag die Theo en Thea elkaar altijd stelden: ‘Waga tut eigluk ofe!?’ Iets wetenschappelijker geformuleerd: frames zijn mentale constructies die bepalen hoe we de wereld zien, zoals de Amerikaanse taalkundige George Lakoff het zegt. Frames zijn onzichtbaar. Ze zijn onderdeel van ons cognitieve onderbewuste, structuren in ons brein die we niet bewust kunnen activeren, maar die we kennen door wat ze teweegbrengen: de manier waarop we redeneren en wat we beschouwen als ‘gezond verstand’. En we kennen ze door taal. Elk woord dat we kennen is verbonden aan een ‘frame.’ Dertig, veertig jaar geleden had je je schouders kunnen ophalen over zo’n analyse: „Klinkt leuk, maar kun je het ook bewijzen?” De laatste jaren stapelen die bewijzen zich op, dankzij het moderne hersenonderzoek, waarmee je woorden en ideeën in de hersenen kunt zien.

In de buurt waar ik woon is een huis met een oprit. De eigenaar wil niet dat er voor die oprit geparkeerd wordt en daarom heeft hij een bordje opgehangen dat je in Amerika soms ook op dat soort plaatsen ziet hangen: ‘DON’T EVEN THINK OF PARKING HERE!’ Laat iemand in een hersenlaboratorium dat bordje zien en de hersenknoop waar het begrip ‘parkeren’ is ondergebracht, licht op. Ergens niet aan denken bestaat niet.

Het boek van George Lakoff over politieke framing heet Don’t Think Of An Elephant! Hetzelfde idee: niet aan een olifant denken, is toch aan een olifant denken. Lakoff is een overtuigd ‘liberal’, een Democraat, en legt in dat boek uit hoe progressieve politici hun voordeel kunnen doen met framing. Hij schreef het in 2004, toen de Democraat John Kerry het opnam tegen George W. Bush, die een rampzalige oorlog was begonnen om niet-bestaande atoomwapens en een van de laagste waarderingscijfers in de Amerikaanse geschiedenis had, en toch van Bush verloor. Oorzaak: de uitgekiende framing van de Republikeinen.

The New York Times maakte een diepgravende reconstructie van de campagne, getiteld The Framing Wars, waarin de Republikeinse methode werd blootgelegd. Conclusie: Bush was attacked, Kerry was framed. De Democraten streden met feiten en argumenten, de Republikeinen met waarden en emoties. Door niet aflatend twijfel te zaaien over Kerry’s karakter frameden de Republikeinen hem als een draaier, een leugenaar en een opportunist, tegenover Bush de stand-up guy op wie je kon bouwen. Met het gevolg dat tal van Amerikanen een keuze maakten die rationeel gezien niet in hun belang was. De Democraten begrepen er niets van. Lakoff, als kenniswetenschapper, begreep het wel: rationele besluitvorming bestaat niet. „People don’t vote their interest”, zegt hij, „they vote their identity”. De Republikeinse campagne van 2004 bleek het sluitstuk van een operatie, begonnen in het begin van de jaren negentig, om de Amerikaanse politiek om te vormen tot een debat over waarden. Republikeinse waarden. Zo trokken zij het initiatief naar zich toe en dreven de Democraten in de verdediging. In de positie van iemand die het publiek vraagt niet aan een olifant te denken.

Een paar voorbeelden. Republikeinen hebben een hekel aan belastingen. Belastingverlaging is in het Engels ‘tax reduction’ of ‘tax cut’. De Republikeinen maakten daar in de jaren negentig ‘tax relief’ van: belastingverlichting. Snijden of reduceren is iets kleiner maken, verlichting is iets minder zwaar maken. Belasting als hoofdpijn, waarvoor je verlichting zoekt. ‘Pain relief ? Tax relief.’ De Democraten hadden zo hun argumenten tegen tax relief, maar die deden er eigenlijk niet toe, want iedere keer als ze het woord tax relief uitspraken, beaamden ze de metafoor, het frame, van belastingen als hoofdpijn. In de documentaire I.O.U.S.A, over het enorme Amerikaanse begrotingstekort, identificeert een econoom het ware probleem van de Amerikaanse economie: Amerikanen geloven dat je een verzorgingsstaat kunt bekostigen zonder belasting te heffen. Een term als tax relief voedt dat waanidee.

Successiebelasting, ‘estate tax’ of ‘inheritance tax’, vinden de Republikeinen ook onzin. Maar de begrippen ‘estate’ en ‘inheritance’ verwijzen naar rijkdom, en legitimeren daarmee het idee achter zo’n belasting: je bent bevoorrecht, je erft geld, daar mag je best iets van afdragen. En dus introduceerden de Republikeinen de ‘death tax’, overlijdensbelasting. Een term die een totaal andere gevoelswaarde heeft: alsof de dood nog niet erg genoeg is, moet je er óók nog belasting over betalen! (De VVD, ook tegen successiebelasting, introduceerde een paar jaar geleden de Nederlandse variant sterftaks.)

‘Late term abortion’, abortus na achttien weken zwangerschap, werd vervangen door het lugubere ‘partial birth abortion’, abortus door geboorte in stukjes. Omgekeerd kan het ook. De Republikeinen zijn voor oliewinning in het ANWR-natuurreservaat in Alaska en vervingen het ‘drilling for oil’ (metafoor: gat in de aarde maken) door ‘domestic energy exploration’ (metafoor: alleen maar even kijken). Republikeinse milieuwetten, onderwijswetten, de Democraten bestreden ze te vuur en te zwaard, maar Bush gaf ze suggestieve namen als de ‘Clear Skies Act’, de ‘Healthy Forest Act’ en ‘No Child Left Behind’. En daar ben je als Democraat dan tégen.

En het bekendste voorbeeld: de strijd tegen het internationale terrorisme, de reactie op 9/11, werd door de Republikeinen geframed als een oorlog. ‘The War On Terror’. Een oorlogsmetafoor als legitimatie voor draconische maatregelen die in vredestijd kansloos zijn. En wie zich verzet, is een landverrader. „De mond van George W. Bush, dat is de plaats waar woorden heen gaan om te sterven”, heeft iemand eens gezegd. Ziehier de verklaring voor het wonderlijke feit dat een man die amper twee volzinnen achter elkaar kon spreken, tot twee keer toe een verkiezing won van de aanzienlijk betere sprekers Al Gore en John Kerry. Dankzij framing, een heel andere vorm van ‘welsprekendheid’.

De frames van de Democraten, stelde Lakoff vast, vertoonden geen enkele samenhang. Ze leden aan ‘hypocognitie’, zoals kennisgeleerden dat noemen. Ze wisten, simpel gezegd, niet waar ze het zoeken moesten. Wie ooit de Wouter Tapes heeft gezien, over de PvdA-campagne van 2006, begrijpt ongeveer wat Lakoff bedoelt. Een van de schaarse momenten dat Wouter Bos in die film wel zeker lijkt te weten wat hij doet, is als hij een campagnefoto van zichzelf bestudeert en gedecideerd afkeurt wegens „te veel gel”. Al het overige is zoeken en tasten.

Taal- en communicatiegoeroes als George Lakoff en Frank Luntz (de man achter onder meer ‘death tax’) verdienen in Amerika fortuinen met hun advieswerk. De Nederlandse politiek kan zich dat soort expertise nauwelijks veroorloven. Een uitzondering vormen de SP, die dankzij haar hoge ledental en de afdrachtregeling een welgevulde partijkas heeft, die deels wordt besteed aan professionele communicatie, en de PVV van Geert Wilders, die zowel financieel als inhoudelijk veel steun ontvangt uit conservatieve Amerikaanse kringen. Grote politieke partijen als de PvdA en het CDA zijn arm en voeren campagne on a shoestring. In Nederland is het eerder de ambtenarij die haar voordeel doet met deze technieken, waar geld is voor dure consultants. Framing begint daar sinds kort ook door te dringen.

Een voorbeeld van hoe het niet moet, was de keuze om de nieuwe vrachtspoorlijn tussen de Maasvlakte en het Ruhrgebied de ‘Betuwelijn’ te noemen. De Betuwe staat voor natuurschoon en landelijke rust, verbind dat begrip aan een vrachtspoorlijn en je ziet een grommend stalen monster door bloeiende boomgaarden razen. De ‘A15-route’ was misschien beter geweest, die snelweg loopt al door de Betuwe, daar kan nog wel een spoortje naast.

Geslaagder is de naam die minister van Justitie Piet Hein Donner (CDA) gaf aan een bezuiniging op het gevangeniswezen: het ‘sober regime’. Wie zich tegen zo’n bezuiniging verzet, is tegen ‘soberheid’. Niet zo’n populair standpunt als het om belastinggeld gaat. Jan Marijnissen (SP) besefte dat op een gegeven moment en riep zijn partijgenoten op die term vooral niet over te nemen. Jan Marijnissen heeft een sterk taalgevoel. De ‘kilometerheffing’ van Camiel Eurlings (CDA) werd door de SP zonder pardon gereframed tot ‘filebelasting’. Geen prijs voor mobiliteit, een belasting op stilstaan!

Ander voorbeeld: in de Nederlandse politiek wordt sinds een aantal jaren gesproken over ‘dagindeling’. We hebben het Regeringsstandpunt Dagindeling, de Commissie Dagindeling, de Stimuleringsmaatregel Dagindeling, de Stuurgroep Dagindeling (onder leiding van Pia Dijkstra), enzovoorts. Dat Standpunt en die Commissie en die Stuurgroep zijn bedoeld om vrouwen te stimuleren om de arbeidsmarkt op te gaan en mannen om zorgtaken op zich te nemen. ‘Dagindeling’ is het nieuwe frame voor emancipatie. Dat is een ideologisch beladen begrip dat in sommige kringen weerstand wekt, en dus lanceerde het ministerie van Sociale Zaken eind jaren negentig het begrip ‘dagindeling’. Het gaat niet om de vrouwenrechten en dergelijke, maar om iets heel praktisch, een kwestie van logistiek, van dagindeling.

Framing kan het verschil maken tussen impasse en actie. Jarenlang lobbyde de Amerikaanse anti-tabaksbeweging vergeefs voor een rookverbod in de horeca. Ze brachten het als een gezondheidskwestie, maar eigenaren en bezoekers van bars zijn niet zo met hun gezondheid bezig, die krijg je daar moeilijk in mee. Toen maakten de lobbyisten er een rechtvaardigheidskwestie van: horecapersoneel heeft recht op een gezonde werkomgeving. Toen hadden ze de vakbonden mee en een paar jaar later werd het verbod ingevoerd. De Nederlandse anti-rookbeweging nam die tactiek over, ook hier werd het rookverbod voor de horeca als sociale kwestie geframed. En het werkte. Maar – dit terzijde – als roken in de horeca een sociale kwestie is, kunnen café-eigenaren zonder personeel een vrijstelling van zo’n verbod claimen, en dat is ook precies wat ze deden, aanvankelijk met succes. Ziedaar een gevaar van framing: je sluit niet alleen je tegenstander op in een frame, ook jezelf.

Iets dergelijks overkwam Rita Verdonk (TON). Zij presenteerde zichzelf zeer nadrukkelijk als een politica bij wie het niet om de inhoud ging, maar om karakter. „Ik ben niet links, ik ben niet rechts, ik ben rrrrecht door zee”, zei ze. Toen ze vervolgens juist niet recht door zee bleek te zijn, door te liegen over een politieke jeugdzonde, was het snel met haar populariteit gedaan.

Vooral Wilders is een meester in het creëren van zijn eigen begrippen. Welke frames zijn daarin te onderscheiden?

Het Islamiserings-Frame

Hét centrale begrip in Wilders’ woordenboek is ‘islamisering’. Op de PVV-website komt het vijftig keer voor, het maximale aantal vindplaatsen dat de zoekmachine geeft, dus misschien is het wel veel meer. Alfabetiseren is iets alfabetisch maken. Criminaliseren betekent iets crimineel maken. Carameliseren: iets tot caramel maken. Islamiseren betekent dus: iets wat niet islamitisch is, islamitisch maken. Dit is geen autonoom proces, zegt Wilders, maar een samenzwering, een intifada van kolonisten onder leiding van geïnfiltreerde haatimams en heimelijk gesteund door staatssecretarissen met twee paspoorten en de Marokkaanse burgemeester van onze grootste havenstad. Of ‘islamisering’ nu bestaat of niet, Wilders maakt het tot gespreksonderwerp, net als bij ‘demonisering’, en dwingt anderen er iets over te zeggen. Dús het bestaat. En wie het ontkent, is ziende blind. Of onderdeel van het complot.

Het Subsidie-Is-Roof-Frame

Subsidie is in wezen iets moois, een verworvenheid van de verzorgingsstaat: zorg, kunst, welzijn, zaken waar geen geld voor is, maar die we toch belangrijk vinden, maken we mogelijk met ‘subsidie’. Wilders stelt subsidie consequent voor als iets sinisters, iets wat het daglicht eigenlijk niet kan velen, als een samenzwering tussen lieden die op listige wijze de ‘geldkraan’ in handen hebben weten te krijgen en hun ‘vriendjes’ die dat geld ‘opstrijken’. Hij (re)framet ‘subsidie’ tot geld dat de linkse elite zich toe-eigent om zijn ‘hobby’s’ te bekostigen, voor ‘schilderijen die je je ergste vijand nog niet zou toewensen’. Tot een complot.

Het Dhimmi-frame

Wilders’ tegenstanders, ‘de elite’, hebben geen andere visie op de samenleving, nee, ze ‘zijn de weg kwijt’. Ze zijn ‘dhimmi’s’, Arabisch voor ‘niet-moslim in een moslimstaat’, door Wilders gebruikt als ‘collaborateur met het islamisme’. De elite bestaat uit islam-dhimmi’s, maar ook uit Europa-dhimmi’s. Dit zou je het ‘dhimmi-frame’ kunnen noemen. Ook hier: er op ingaan is bevestigen dat het zo is. Want óf een dhimmi weet niet dat hij een dhimmi is, dan is hij een ‘naïeve dwaas’, zoals Doekle Terpstra. Als hij het wel weet, zal hij het natuurlijk niet toegeven. De ontkenning is de bevestiging: als je niet meer wilt hóren dat je de weg kwijt bent, ben je de weg wel héél erg kwijt.

Het Blauwdruk-Nederland-Frame

En wat dan nog, zou je kunnen zeggen, dat soort dingen gebeuren. De wereld is in beweging, alles verandert, daar doe je niks aan. Nee, zegt Wilders, ‘islamisering’ is fout, want zo is Nederland niet bedoeld. „Nederland moet weer worden zoals ons land bedoeld is”, zegt hij vaak. Wat die bedoeling precies is of was – was Nederland bedoeld om Duitsland weg te houden van de Noordzee, om te voorkomen dat Het Kanaal te breed werd? – vertelt hij nooit. Hij kan er ook niet te diep op ingaan, want dan zou hij op oud-Nederlandse waarden als openheid, verdraagzaamheid en gastvrijheid stuiten. Maar de islam is in elk geval in strijd met die bedoeling, weet Wilders. Alsof hij inzage heeft in de blauwdruk genaamd Nederland, die ergens in een la ligt. Wie dat plan niet volgt, is een landverrader.

Frames zijn ‘genesteld’, als in een Russische baboesjka-pop. Aan elkaar verwante frames vormen samen grotere frames, die op hun beurt nog weer grotere frames vormen, enzovoorts. Het begint met een woord, het eindigt met een wereldbeeld.

Is er een grotere metafoor die de frames van Wilders met elkaar verbindt? Ja, het superframe van de PVV is Het Complot. In Wilders’ wereldbeeld heeft alles een dader. „Jullie zijn allemaal tégen me!” roept een kind dat zich onmogelijk gemaakt heeft. Zo stelt Wilders zich op en zijn aanhang herkent het. Ze zijn boos. Boos over alles wat er misgaat in dit land. Narigheid door niet-geïntegreerde vreemdelingen, de opmars van de islam, een slecht functionerende overheid, de teloorgang van onze nationale identiteit door Europa. Dat is iemands schuld. Het zijn enorme, complexe problemen; om te pretenderen dat je die allemaal kunt oplossen, is als een politicus die de kiezer voor altijd lekker weer belooft. Om die belofte geloofwaardig te maken, schrijft Wilders alle problemen toe aan een samenzwering, een complot. Want complotten hebben een dader. Wilders weet wie het zijn. Daar gaan eigenlijk al zijn betogen over: wie het zijn.

Wij kennen ze inmiddels ook, Wilders’ Usual Suspects. Balkenende de Bange Brekebeen, Ella de Knettergekke Kolonistenknuffelaar, Alexander de Teflon Buikspreekpop, Agnes de Afwaskracht, Ahmed met de Vele Paspoorten, Groene Femke en haar Kleffe Vriendjes, Tetterende Jacqueline en haar Zielige IJsberen en, last but not least, Job De Vogelaar In Het Kwadraat (aka De Slappe Theedrinker). Kortom, De Coalitie van het Kwaad. Hun missie: de Uitverkoop van Nederland. Codenaam: Het Kalifaat van De Multicul. Daar zitten ze, in hun controlecentrum. Als je dat onschadelijk maakt, is het probleem verholpen.

De experts schudden het hoofd.

„Sorry, can’t be done.”

„Mission Impossible.”

Maar er is één superagent in wiens woordenboek die term niet voorkomt: Geert Wilders. Geert Wilders is de politicus van de empowerment, de Ethan Hunt van Den Haag. Wilders gaat het allemaal oplossen. Wie hem in de weg staat, is een handlanger van Het Grote Complot, en moet met alle beschikbare middelen uit de weg worden geruimd. Hij zweeft door de lucht alsof er geen zwaartekracht is, want de kabels waar hij aan hangt zijn kunstig weggeretoucheerd. En het lúkt hem ook.

Enfin, in de film.

Dit is een voorpublicatie uit ‘De woorden van Wilders en hoe ze werken’. Dit boek komt op 19 mei uit bij De Bezige Bij.