Losse aria's van zielige vrouwen

Voorstelling Altre Stelle door Les Siècles o.l.v. François-Xavier Roth, met Anna Caterina Antonacci, sopraan. Regie: Juliette Deschamps. Gehoord: 12/5 Muziektheater, Amsterdam. Herh.: 15/5. Inl. www.dno.nl **

„Wat heb je elders te zoeken? Ons leven draait om jou”, zegt een voice-over tussen twee aria’s in de voorstelling Altre Stelle. Het is de aanklacht die talloze vrouwen in talloze opera’s richten tot geliefden die zo nodig elders het avontuur willen opzoeken. Dido, Medea, Phaedra, Armide zijn maar een paar mythologische voorbeelden. Hun woede en verdriet is op muziek gezet door componisten als Rameau, Gluck en Berlioz.

Meestal namen die componisten een hele opera de ruimte om de complexe en dynamische verhouding tussen vrouw en minnaar uit te diepen. Sopraan Antonacci en regisseuse Deschamps presenteren echter een dwarsdoorsnede uit enkele opera’s in de vorm van een uit losse aria’s samengesteld monodrama voor sopraan. Tussendoor klinken instrumentale delen, zoals de Dans van de zalige geesten uit Glucks Orphée et Euridice. In het geheel ontbreekt dus niet alleen steeds de ándere kant van het verhaal, maar ook een overkoepelende spanningsboog die plaatselijke diepgang mogelijk maakt. De overeenkomst tussen de gezongen onderdelen (getroebleerde vrouw) is te oppervlakkig om dit te compenseren.

Het decor, met sterke perspectiefwerking, ziet er prachtig uit, en een wervelende sneeuwstorm zorgt voor visueel spektakel. Maar muzikaal kan het op alle fronten beter. Dirigent Roth slaagt er niet in muzikale continuïteit te scheppen en vol te houden. Bovendien laat hij zijn orkest in de droge akoestiek van het Muziektheater noten en frases te weinig tot het einde toe volspelen.

Antonacci zelf overtuigt ook maar ten dele als tragische heldin. Grootse, felle aanklachten, zoals in de delen uit de vijfde akte van Glucks Armide, gaan haar nog redelijk af, al zet ze hier en daar onzuiver in. Maar zeker wanneer het gekozen repertoire wat minder hoog van de toren blaast - zoals de aria uit Cherubini’s Médée - weet ze zich er weinig raad mee. Iets van de schoonheid die Antonacci wel kán bieden, klinkt tegen het slot, met Dido’s Je vais mourir uit Les Troyens van Berlioz en diens La mort d’Ophélie - door Antonacci onzichtbaar uit de coulissen gezongen.