Japan viert komst Perry en de 'Black Ships'

In Shimoda in Japan vieren ze dit weekeinde dat in 1853 de Amerikanen afdwongen dat ook zij Japanse havens in mochten, en niet alleen de Nederlanders.

Weinig plekken in Shimoda waar je niet herinnerd wordt aan de man die bijna anderhalve eeuw geleden een verdrag tussen de Verenigde Staten en Japan afdwong, in een periode dat alleen Nederland, al tweeënhalve eeuw, zaken mocht doen met Japan. Commodore Matthew C. Perry en de vier zwarte marineschepen waarmee hij op vrijdag 8 juli 1853 voor anker ging in de haven van het stadje aan de zuidoostkust van het schiereiland Izu, is overal. De afbeelding van de Amerikaanse bevelhebber siert dozen snoep, flessen drank en inpakpapier in het museum dat de geschiedenis van Shimoda vertelt. Zijn schepen zijn onder meer te zien op de vele putdeksels in de straten van het stadje, in een winkeletalage is een minuscuul zwarte bootje in een flesje verwerkt, aan de haven staat een borstbeeld van Perry, de meest pittoreske straat in het stadje draagt zijn naam. En wie met de kabelbaan de berg Nesugata aandoet, kan zich in het fotografiemuseum laten vereeuwigen in een Perry-uniform met koperkleurige knopen en weelderige epauletten – steek onder de arm. Als je in je eigen kleren weer buiten staat en geniet van het uitzicht over de baai en de Stille Oceaan, kun je een replica van Perry’s Susquehanna een toeristenrondje door de haven zien varen.

Dit weekend gaat een groot deel van Shimoda weer terug in de tijd, tijdens het 71ste Black Ship Festival. Gisteren begon de jaarlijkse herdenking van de komst van Perry en zijn vloot met in totaal 560 marinemensen. Vier schepen deden destijds Shimoda aan; behalve de Susquehanna met aan boord commodore Perry nog een stoomboot, de Mississippi, en twee zeilschepen; de driemasters Plymouth en Saratoga, die werden voortgetrokken door beide stoomschepen.

Aan de historische optocht door de stad doet elk jaar ook een afvaardiging van de Amerikaanse marine mee. „Tegenwoordig nog maar met één boot, vroeger waren dat er wel een stuk of zes, soms ook met een onderzeeër”, zegt Keita, mede-eigenaar van een internetcafé annex Engelse school in Shimoda. Vroeger deden zich met dronken Amerikaanse militairen vaak vechtpartijen voor, nu gaat het er een stuk rustiger aan toe.

Shimoda is voor de Amerikanen een bijzondere plek. Nadat in 1854 een verdrag was gesloten dat Amerikaanse schepen in staat stelde om de havens van Shimoda en Hakodate (op het noordelijke eiland Hokkaido) aan te doen, werd daar twee jaar later het eerste Amerikaanse consulaat geopend en wapperde er voor het eerst op Japans grondgebied de Amerikaanse vlag. Naast de Gyokusenji-tempel een museum met herinneringen aan de eerste Amerikaanse consul in Japan, Townsend Harris. Toenmalig president Jimmy Carter bracht er in 1979 een bezoek. Waar ze op Okinawa, in het zuiden van Japan, de Amerikaanse militairen liever kwijt dan rijk zijn, en er door de Japanse regering nog steeds een oplossing wordt gezocht voor een geschikte locatie voor de Amerikaanse basis, wordt er met de Amerikanen in Shimoda feest gevierd. Het verschil met Okinawa is dat ze zondag weer vertrekken en pas over een jaar weer terugkomen.