'Ik ben drummer, de bodem van het orkest'

Zijn vader, ook drummer, leerde hem niets. „Een schop kon ik krijgen”. En dus leerde John Engels zichzelf drummen. Aan stoppen denkt hij niet.

„Het is allemaal niet meer zo vanzelfsprekend”, zegt jazzdrummer John Engels. „Na vermoeiende ritten in de auto en ’s nachts laat thuiskomen kan ik de eerste uren niet slapen. Ga ik muziekvideo’s liggen kijken. Volgende dag komt de klap. Dan merk ik het. Ooit was het: een drankje, nog een, en maar spelen. Man, wat gingen we door destijds in jazzclub Sheherazade. Op een zeker moment dacht ik: ik wil wel leven voor de jazz, maar ik wil er niet dood aangaan. Toen ben ik soberder en gezonder gaan leven.”

Met zijn drumstokjes op de trommels voelt John Engels zich het gelukkigst. Afgelopen donderdag, op zijn 75ste verjaardag, presenteerde de drummer zich met zijn nieuwste band: het Barnicle Bill Trio. Engels debuteerde in 1953 bij het trio van Pia Beck, hij speelde in Duitsland met de Surinaamse saxofonist Kid Dynamite en maakte deel uit van de legendarische Diamond Five. Zelf beschouwt hij zijn concerten met Chet Baker als een van de hoogtepunten in zijn carrière.

Een nieuwe band, u denkt duidelijk niet aan stoppen?

„Nee van musici die met pensioen gaan begrijp ik niets. Los van het geld, want als jazzmusicus heb je natuurlijk geen pensioen, is spelen mijn leven. Tot het einde drum ik. En eenmaal boven gaan we ook weer verder.”

Hoe vaak treedt u nu nog op?

„Zo’n drie, vier keer per week. Als ik het rustig heb in mijn agenda bel ik wat jazzvogels op om wat te spelen in mijn geïsoleerde jazzkelder. Een beetje jammen, nieuwe dingen uitproberen.”

Met bassist Mark Haanstra en altsaxofonist Miguel Martinez vormt u nu het Barnicle Bill Trio. Wat is de kracht van dit trio?

„Mogen we met je spelen, vroegen ze. Nou, ik sta altijd open voor nieuwe muzikale dialogen. Het zijn onverwachte gesprekken die je dan voert. De denkwijze van dit soort jonge musici trekt me aan. En het verbaast me, ze willen terug naar de roots. Wij kleuren samen goed in standards die nooit helemaal standaard zijn geworden; van Chuck Berry tot Ornette Coleman, van Billy Strayhorn tot Sonny Rollins.”

Eens een sideman, altijd een sideman?

„Een band onder mijn naam is mij teveel poppekast. Ik ben geen bandleider, organiseren is voor mij niet weggelegd. Over geld heb ik me überhaupt in mijn jazzleven weinig druk gemaakt. Niet handig, want als ik ja zei op een schnabbel, vergat ik vaak om geld te vragen. Tja, ik ben gewoon de drummer, de bodem van het orkest. Wel had ik een tijd mijn eigen drumstokken. Vond ik wel mooi. Alleen waren ze van hickory-hout. Dat is stug. Ik houd meer van maple-stokken. Die klinken warmer.”

Hoe komt het dat u na al die jaren podiumervaring nog steeds nerveus bent voor elk concert?

„Ik ben een stressvogel. Elke show opnieuw. Pas na een paar maten kan ik dat loslaten. Als je lekker speelt, lossen de zenuwen op. Dan gaat er bij mij een ander bewustzijn werken. Dan vlieg ik weg, ben ik in trance. Mijn antennes staan altijd open. Ik pik van alles op. Helaas word je dan weer teruggeschopt, is het concert ineens voorbij.”

Ondanks dat uw vader een van de belangrijkste drummers in Nederland van de generatie van vóór de oorlog was, zag hij aanvankelijk niets in uw drumwens.

„Mijn vader John sr. was een goede swingdrummer. Maar ik heb weinig van hem geleerd. Een schop kon ik krijgen, ja. We hadden er veel ruzie over. Mijn vader vond dat ik een vak moest gaan leren. Hij wilde niet dat ik de muziek in ging. Ik kwam uit een groot gezin met dertien kinderen. We waren arm. En er was na de oorlog geen droog brood te verdienen. Ik heb tal van baantjes gehad. Was piccolo bij Maison de Bonnetrie, en ook een tijdje typograaf. Dat was volgens een test het enige wat ik kon. Maar ik wilde muziek maken. Op mijn zeventiende ging ik uit huis.”

U bent autodidact, had geen muziekscholing. Hoe leerde u het vak?

„We noemen het thuis de Engelse ziekte. Het drummen zit ons in de genen. Een aantal broers maar ook mijn jongste zusje Truus swingt de pan uit. Zij heeft nog jaren bij Rosa King gespeeld. Mijn eerste platen waren van Charlie Parker en Chet Baker. Als mijn vader er niet was, kroop ik achter zijn trommels. Ik speelde mee met de dixieland en moderne jazz die op de Engelse radio klonk.”

Heeft het u belemmerd dat u een linkshandige drummer bent?

„Daar hoor je niks van. Maar ik werd er niet door aangenomen op het conservatorium. Ze konden me geen les geven, het was moeilijk met vingerzettingen enzovoorts. Bij mij is alles, zoals hi-hat en crashbekkens, omgekeerd opgesteld. Mijn eigen stijl ontwikkelde zich door veel naar anderen te luisteren.”

Opmerkelijk: u heeft als drummer een voorliefde voor de melodie.

„Inderdaad. Ook trompettist Thad Jones merkte dat eens subtiel op: ‘Hey motherfucker, you’re playing the melody’. Ik fraseer over de melodie zoals een blazer doet. Ik vind dat iedere muzikant een gewoon liedje moet kunnen spelen. Mijn roffels zingen mee. En verder moet het gewoon de pan uit swingen.”

U heeft met veel zwarte musici gespeeld.

„Pia Beck heeft me in 1953 de kans gegeven een week te spelen bij Mary Lou Williams. De schnabbels met Kid Dynamite en zijn mensen. Ik heb me altijd thuis gevoeld tussen zwarte musici. Ik was en ben gek op die oerritmes. Ik ben daar heel primitief in. Verder heb ik nooit nagedacht over kleur en afkomst. Het interesseerde mij niets. Ik was ook vrij naïef en onbevreesd trouwens. In 1984 liep ik in Harlem, New York zo de bars binnen. Wat ik daar als blanke vogel kwam doen, vroegen ze. Ik weet niet waar je het over hebt, zei ik. Ik ben kleurenblind. Ging ik drummen was het ijs helemaal gebroken.”

Denkt u vaak terug aan jazzconcerten van toen?

„Muzikant zijn is het mooiste wat er is. Als ik ineens omval, en ik wil in het harnas sterven tijdens een mooie blues, dan is het mooi geweest. Ik heb regelmatig flashbacks. Herinneringen als oude zwart/wit filmpjes. Een concert in het Haagse theater Pepijn met blueszanger Jimmy Witherspoon, pianist Rein de Graaf en bassist Koos Serierse. Blues en ritmeschema’s die zo diep gingen. Ik heb de muziek zelden zo diep gevoeld. Jazzdrummer Mel Lewis wilde me in New York hebben. Ik was bijna zover dat ik er ging wonen. Toen hij overleed, ging het plan niet door.”

The Diamond Five was van ’57 – ‘61 het huisorkest van de roemruchte Amsterdamse jazzclub Sheherazade. Daar speelde u zes avonden in de week met grote Amerikaanse namen.

„Een gouden tijd. De leden van de Quincy Jones Bigband kwamen zes weken lang elke avond jammen. Door te spelen met musici als trompettist Clark Terry, Benny Bailey en saxofonist Phil Woods krijgt je spel pas echt een lift. En ook Stan Gertz kwam eens spelen. Tja, de Sheherazade. De jazz had er vier jaar vleugels. En we namen genoeg in. Zeker als er geen publiek was. Ik heb het vreselijk gevonden dat de tent werd verkocht.”

U heeft in ’86 en ’87 tours gemaakt met trompettist Chet Baker. Wat heeft dat voor u betekend?

„Chet Baker heeft me gered toen ik in het diepste dal zat. Mijn vrouw was net overleden, en dat ik met Chet op tournee was, was een magische zegen. In Japan heeft Chet, daar overigens fit en aan de methadon, me muzikaal naar een andere dimensie gebracht. Go ahead, zei hij. Hij liet me gaan. Volgens hem was ik een ‘natuurlijke’ drummer. Tijdens het laatste nummer van de tournee zette Chet onverwacht Seven Steps to Heaven in. Hadden we nooit gespeeld. Het slot vormt een klap die we tegelijk uitdelen. Uitroepteken.”

De blues is van grote invloed op uw spel. Wat heeft u met die muziek?

„Ja, die blauwe noten he. De blues raakt me al mijn hele leven in mijn ziel. Ik ben een sentimentele jongen. De blues zit soms al in een noot. Shirley Horns Here’s To Life. Dat iemand je zo kan ontroeren dat je huilt van binnen. Als ik me rot voel, trek ik me even terug in mijn kelder. Speel ik het er uit. Ik heb al veel mensen verloren, onder wie ontzettend getalenteerde musici. De muziek redt mij steeds.”

Kunt u ontroeren met drums?

„Natuurlijk. Een kwestie van de juiste kleuren mengen. En met gevoel spelen.”

Wat geeft u de nieuwe generatie drummers mee in uw lessen?

„Technisch hoef ik die jonge vaardige vogels niets te vertellen, maar ik deel mijn opvattingen over ritme met hen. En ik voel meteen hun blokkades aan. Op een speelse manier probeer ik met ze naar dat moeilijke punt te gaan zodat het wordt opgeheven. Ik benader alles op gevoel. Van theorie weet ik niets. Maar een persoonlijkheid in de muziek is minstens zo belangrijk. Ik hoor liever iemand die zichzelf speelt, ook al maakt-ie fouten.”

U bent altijd bij de swing en bebop gebleven. Trokken andere stijlen u nooit?

„Je kunt niet alle dansjes in het leven maken. Met die intellectuele jazz heb ik weinig op. De jazz komt uit de kroeg. En je moet ook humor hebben. En elkaar altijd uitdagen. Ik denk vaak als er nou niet gauw iets gebeurt, laat ik de pleuris uitbreken. Niks laidback of slap getreutel. Het moet er – pàk – zijn.”

Opmerkelijk eigenlijk dat in uw omvangrijke jazzcarrière nauwelijks composities van uw hand voorkomen.

„Daar heb ik geen rust voor. Het lijf loopt niet synchroon met het hoofd. Ik heb wel vaak melodieën in mijn hoofd. Hoor ik buiten een vogel fluiten, dan verzin ik er wat bij. Mijn notenschrift bestaat puur uit eigen tekens. Muziek verwoorden heeft me nooit gepast. Ik antwoord liever met betekenisvolle roffels.”

Meer informatie over John Engels’ tournee:www.barniclebilltrio.nl

Rectificaties / gerectificeerd

Correcties & aanvullingen

Jazzdrummer John Engels is in 2001 benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en niet tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau, zoals stond in het artikel Ik ben drummer, de bodem van het orkest (15 mei, pagina 9).