Het bloed van Osman

De Koran heeft in de eerste eeuwen na Mohammed veel meer variaties gekend dan de meeste moslims willen aannemen.

Christenen, joden en moslims kennen dezelfde God. Wat een moslim in eigen ogen van de anderen onderscheidt, is dat hij zich onderwerpt aan het woord van God – ‘moslim’ komt van het Arabische werkwoord sallama, zich onderwerpen. En omdat de Koran, en niet de Torah of de Bijbel, het ware woord van God is, is de islam de ware godsdienst. Daarom is voor moslims de authenticiteit van de Koran cruciaal.

De Koran is ook een boek dat ontelbare malen is overgeschreven en gedrukt. Mensenwerk, waar in theorie fouten of zelfs opzettelijke manipulaties in geslopen kunnen zijn. Is de Koran echt het papier geworden, onaantastbare woord van God? Op internet woedt hierover een heftige discussie. Als het antwoord ja is, zijn tekst en taal van de Koran vanzelfsprekend perfect. Maar hoe verklaar je dan de gevallen van ‘foute’ of afwijkende spelling? Het is een vraag waar twijfelende moslims mee zitten.

De paleoloog en codicoloog François Déroche is een van de meest vooraanstaande historici van de Koran. Hij geeft geen antwoord op de eerste, theologische vraag naar de goddelijke herkomst van de tekst. Maar hij gaat wel in op het verband tussen de Koraneditie die voor de meeste hedendaagse moslims canoniek is, de zogenaamde Kaïro-editie van 1928, en de oudste bekende tekstfragmenten. “Dat verband,” zegt hij, “is veel minder rechtstreeks dan gewoonlijk wordt aangenomen.”

LEZINGEN

Déroche, hoofd onderzoek van de École Pratique des Hautes Études (Sorbonne) in Parijs, was een maand in Leiden, waar hij als gasthoogleraar van het Scaliger Instituut een serie lezingen gaf. In zijn werkkamer in de Leidse Universiteitsbibliotheek vertelt hij over zijn onderzoek.

“Toen ik er aan het eind van de jaren zeventig mee begon, had een aantal wetenschappers net radicale ideeën naar voren gebracht over het ontstaan van de Koran. De historicus John Wansbrough, de paleograaf Gerd Rüdiger Puin en anderen betoogden dat de Koran zoals we hem kennen, als één boek van 114 hoofdstukken, pas twee eeuwen na het begin van de islamitische jaartelling (dus in de 9de eeuw na Christus) tot stand kwam, en gedeeltelijk een samenraapsel was van teksten van andere grote godsdiensten in de regio.”

De islam zou toen pas zijn ontstaan, en niet op het Arabisch schiereiland, maar in Syrië en Irak. Niets van wat de grote islamitische geschiedschrijvers hadden doorgegeven leek nog zeker.

SYRIË EN IRAK

Déroche: “Dat ging mij veel te ver. Ik had in de Parijse Bibliothèque Nationale fragmenten onder handen van een koran die volgens mij wel degelijk stamt uit het derde kwart van de 7de eeuw, een halve eeuw na de dood van Mohammed. Het manuscript (‘Parisino-Petropolitanus’ genoemd, omdat een deel zich in St. Petersburg bevindt) is één van de twee oudste koranmanuscripten die voor onderzoek beschikbaar zijn.”

Déroche dateert het op grond van de vorm van het handschrift, het formaat van de vellen perkament, de indeling in verzen en de spelling. De C14-methode wordt wel gebruikt om de leeftijd van perkament te benaderen, maar kan er decennia naast zitten. Te veel voor onderzoek als dit.

Déroches conclusie is dat dit manuscript werd geschreven in de eerste jaren van de heerschappij der Umayyaden (de Arabische dynastie die van 661 tot 750 de eerste islamitische staat bestuurde). Veel eerder dus dan Wansbrough en anderen voor mogelijk hielden, maar ná Osman, de derde kalief (opvolger van de profeet Mohammed, 644-656). Die Osman speelt een belangrijke rol in de geschiedenis van de Koran.

Volgens de traditie is de Koran aan de profeet geopenbaard door de aartsengel Gabriël. Dat gebeurde in delen, verspreid over 22,5 jaar. Mohammed, die zelf niet kon schrijven, herhaalde de verzen voor zijn volgelingen, en zij schreven ze neer op palmnerven, hout, steen of been. Mohammed zei bij elk deel wat de plek ervan in het geheel moest zijn. Na de dood van de profeet ontstond verwarring en onenigheid. In het Arabische schrift zijn veel medeklinkers alleen van elkaar te onderscheiden door de puntjes die eronder of erboven worden geschreven. Maar die werden in de eerste twee eeuwen weggelaten. Korte klinkers, aangeduid door een streepje of een komma onder of boven de letters, werden ook niet geschreven.

SCHOOLVORMING

Het ontbreken van die diakritische tekens gaf ruimte voor verschillende lezingen: ‘jij’ of ‘hij’, passieve of actieve werkwoordsvormen. Het wel of niet schrijven van de lange a (alif) kon zelfs het verschil betekenen tussen niet of wel. Ook als de verschillen niet belangrijk waren, konden ze aanleiding geven tot schoolvorming en de eenheid van de gemeenschap in gevaar brengen.

Kalief Osman besloot daarom dat er één officiële versie moest komen. Hij benoemde een redactiecommissie, die uitging van de tekst van de eerste opvolger van Mohammed, Abu Bakr. Op grond daarvan werden vier korans geschreven, mét diakritische tekens. Drie exemplaren werden naar Damascus, Kufa en Basra gestuurd, de vierde bleef in Medina. Alleen deze vier mochten voortaan gekopieerd worden. Osman gaf opdracht om alle andere korans te vernietigen, en zo geschiedde, behalve in Kufa. De Kaïro-editie is de directe opvolger van die van Osman. Tot zover de traditie.

Maar is het echt zo gegaan? “Nee,” zegt Déroche. “Uit het manuscript Parisino-Petropolitanus blijkt dat er na Osman nog steeds heel weinig diakritische tekens werden geschreven. In werkelijkheid maakten mensen nog tot in de tiende eeuw op eigen houtje kopieën van de Koran. Er waren wel conventies, maar lang niet alles stond vast. De spelling varieerde, ook de indeling in verzen, en soms werden korte verzen toegevoegd om een rijm af te maken. Variatie in spelling komt zelfs binnen één exemplaar voor. Korans werden geregeld gekopieerd door meerdere schrijvers die elkaar afwisselden, waarschijnlijk als een opdrachtgever snelle levering wilde. Dan is binnen één exemplaar te zien dat de ene schrijver voor bepaalde woorden een modernere spelling gebruikt dan de ander.”

Wat leert dat ons?

“Ten eerste dat er enorme behoefte was aan een Boek, zodat er veel en snel gekopieerd werd. De cultuur in het Midden-Oosten van de zevende eeuw was vol van het idee van het boek, al-kitab. Christenen en joden hadden een boek, en God had in de openbaring de moslims ook een boek beloofd. Dat zou helpen om de heilige tekst te bewaren. Later werd het boek ook iets dat prestige gaf. De Umayyaden spendeerden grote bedragen aan korans, om politieke en religieuze redenen. Korans werden groter en rijk versierd.”

INCOMPETENT

Pas onder de Umayyaden kwam de ‘osmaanse’ schrijfwijze (die van Osman) vast te liggen. Daarnaast bleven andere versies in omloop, waarvan er veertien werden opgenomen in het corpus van de latere kanonieke korans. Maar ook in de osmaanse tekst komen spellingen voor die niet ‘kloppen’ volgens de regels van de Arabische taal. De grote 14de-eeuwse, Noord-Afrikaanse geleerde Ibn Khaldoen besteedde daar al aandacht aan. De eerste moslims maakten hun letters nog allemaal ietsje anders, schreef hij. Maar omdat ze dicht bij de profeet hadden geleefd, werd hun handschrift nauwkeurig nagedaan door de generatie na hen. Dat leidde soms tot vergissingen. Geleerden uit later eeuwen die zich in bochten wringen om betekenis te ontdekken in gewone spelfouten, noemen Ibn Khaldoen incompetent. Want wat in de Koran staat, is perfect en zo bedoeld, ook als de betekenis niet meteen voor de hand ligt. Twijfelen aan de perfectie van de taal van het heilige boek is twijfelen aan God zelf, vinden moslims.

Het is opvallend dat Déroche, door zijn grote kennis van de Koran en misschien door zijn intimiteit met de vroegste manuscripten, nauwelijks wrevel wekt, terwijl zijn visie vergelijkbaar is met die van Ibn Khaldoen. Zijn werk toont aan dat niet alleen tussen de profeet en de osmaanse schrijfwijze, maar ook tussen Osman en de Kaïro-editie veel meer mensenwerk en variatie zit dan gewoonlijk wordt aangenomen. Haalt hij daarmee niet de autoriteit van de Kaïro-editie onderuit?

Déroche zegt geen ja of nee: “Het is curieus dat de Azhar universiteit zich voor die editie gebaseerd heeft op literatuur uit de 2de en 3de eeuw na Mohammed over verschillende versies van de Koran, maar niet op oude manuscripten zelf, terwijl die voorhanden waren. De spelling van de Kaïro-editie wordt gepresenteerd als oude spelling, maar is in feite nieuw. Islamitische studenten van mij die oude manuscripten zien, zijn vaak stomverbaasd. Wat mooi zou zijn is een wetenschappelijk editie die laat zien waar de verschillen zitten. Maar daarvoor moeten nog veel meer vroege manuscripten bekeken worden. De meeste zijn nog nooit bestudeerd.”

ONDERZOEK

In veel islamitische landen bestaat geen bezwaar tegen dergelijk onderzoek. In bibliotheken in Turkije en Tunesië, bijvoorbeeld, ontmoet Déroche grote openheid en veel belangstelling voor zijn onderzoek. “Alleen in Kaïro werken ze niet mee. Daar wordt nu onderzoek gedaan dat moet bewijzen dat ze daar één van de vier exemplaren hebben die Osman rondstuurde.”

Talloze bibliotheken en moskeeën over de hele wereld claimen dat ze delen van een van die korans hebben, of van de koran die Osman zelf aan het lezen was toen hij vermoord werd. De bloedvlekken zitten er dan nog op. Déroche: “Als het allemaal waar was, moet Osman omgeven zijn geweest door korans toen hij vermoord werd. Maar al vanaf de 11de eeuw zijn vervalsingen gemaakt. De exemplaren in het Topkapi museum in Istanbul en in Tashkent, die van Osman zelf zouden zijn, zijn ook vervalsingen. Ze zijn te groot, te mooi, en geschreven in het handschrift van een latere periode. Aan het eind van het exemplaar in Istanbul staat ook nog eens ‘dit werd geschreven door Osman ibn Affan in het jaar 30’. Alsof Osman die vier korans eigenhandig zou hebben geschreven. Dat is natuurlijk niet waarschijnlijk, want daar had hij professionele schrijvers voor. Maar deze oude korans zijn relieken. Ze zijn deel van de geschiedenis en de traditie van bedevaart en vroomheid die zo’n grote rol speelt in de islam.”