Hersenkanker krimpt na reparatie van energievoorziening

Glioblastoom, een agressieve vorm van hersenkanker, kan effectief worden behandeld met dichloorazijnzuur. Dat blijkt uit een eerste voorzichtige test bij vijf patiënten in Canada. Dichloorazijnzuur (DCA) is een klein molecuul, makkelijk toe te dienen en goedkoop. Het corrigeert afwijkingen in de stofwisseling van de kankercellen, terwijl gezonde cellen buiten schot blijven. Met name de functie van de mitochondriën wordt erdoor hersteld. Deze energiecentrales van de cel spelen namelijk ook een rol bij de apoptose, het proces waarmee beschadigde cellen zichzelf vernietigen. Verder onderzoek bij grotere groepen patiënten moet deze eerste resultaten nog bevestigen. Een probleem daarbij is de financiering. Dichloorazijnzuur is niet te patenteren, zodat de farmaceutische industrie er weinig belangstelling voor heeft (Science Translational Medicine, 12 mei).

Normaal functionerende cellen voorzien in hun energiebehoefte door glucose in negen stappen af te breken tot pyrodruivenzuur. Dit proces heet glycolyse en vindt plaats in het cytoplasma. Pyrodruivenzuur wordt daarna opgenomen door de mitochondriën, waar verdere verwerking plaatsvindt en grote hoeveelheden ATP worden gevormd, de brandstof van de cel.

Kankercellen doen dit anders. Hier treed het zogeheten Warburg-effect op. Pyrodruivenzuur wordt er niet opgenomen in de mitochondriën, maar omgezet in melkzuur. Dat levert weliswaar minder ATP op, maar daar staat tegenover dat de mitochondriën geen apoptose kunnen opwekken, terwijl melkzuur de vorming van bloedvaten in de groeiende tumor bevordert. De kankercellen kunnen daardoor onbeperkt overleven en zijn verzekerd van een aanhoudende aanvoer van voedingsstoffen en zuurstof.

Enkele jaren geleden ontdekten de onderzoekers die nu het experiment bij vijf patiënten deden bij toeval dat DCA het Warburg-effect kan herstellen.

Eén van de tumoren met een sterk Warburg-effect is het glioblastoom, een ongeneeslijke vorm van hersenkanker. Daarom behandelden de onderzoekers vijf glioblastoompatiënten gedurende 15 maanden met betrekkelijk lage doses DCA. Drie van die patiënten waren al meer dan eens geopereerd, bestraald en met chemotherapie behandeld, bij de twee andere was de ziekte recent gediagnosticeerd en het grootste deel van de tumormassa operatief verwijderd. Eén patiënt overleed vrij kort na het begin van de behandeling, maar bij de vier andere hield de tumor op met groeien en bij drie van hen namen ze, soms sterk, in omvang af, zonder ernstige bijwerkingen. Huup Dassen