Damschreeuwer

Het herdenking- en feestvierseizoen is weer achter de rug, zonder ernstige ongelukken, en aan een relatief goed afgelopen incident hebben we een nieuw woord overgehouden: Damschreeuwer. Overigens is hij de eerste niet. Jaren voor de Tweede Wereldoorlog is op 11 november, Wapenstilstandsdag, in Londen tijdens de twee minuten stilte een man naar de Cenotaph gerend, roepend „jullie zijn allemaal oorlogshitsers”. Hij werd meteen gearresteerd en na enig onderzoek niet-toerekeningsvatbaar verklaard. Menno ter Braak heeft toen een sympathiserend stukje over hem geschreven.

In dit tijdsgewricht hoort schreeuwen erbij, meer en meer. Daar zeuren we niet over. Maar we zitten nog met één dilemma. Moet de vijfde mei tot nationale feestdag worden bevorderd zodat voortaan ieder jaar iedereen vrij heeft? Mij dunkt dat dit een vraagstuk is voor het volgende kabinet. Maar er is nog een andere oplossing, ook historisch gefundeerd. Over het algemeen wordt het einde van een oorlog eerst herdacht en dan gevierd. Daar valt veel voor te zeggen. De offers zijn gebracht en nu is de tijd gekomen een nieuw leven te beginnen. We staan er niet meer bij stil dat de diepste oorzaak van dit nieuwe leven ligt aan het begin van de oorlog.

In augustus 1831 heeft Nederland zonder bondgenoten, volstrekt zelfstandig zijn op één na laatste oorlog gevoerd, onder koning Willem I, om de Belgen in bedwang te houden. Die onderneming is mislukt. Daarna zijn we zorgvuldig neutraal gebleven, en wat je daar ook verder van kunt vinden, het heeft de natie geen windeieren gelegd. Toen in Duitsland de nazi’s de macht overnamen, toen met hun inval in Polen de Tweede Wereldoorlog was begonnen, waren we niet anders van plan. Maar op 10 mei 1940 bleek dat we ons hadden vergist. Koningin Wilhelmina hield een rede waarin ze met „vlammende verontwaardiging” protesteerde tegen de schending van onze „angstvallig bewaarde neutraliteit”. Ik heb altijd gevonden dat er in deze redevoering een ondertoon van verongelijktheid zat. Maar hoe dan ook, het was niet anders. Na bijna 110 jaar aan de zijlijn van de wereldgeschiedenis te hebben gestaan, werden we er, min of meer tot onze verrassing van het ene uur op het andere weer ingesleurd.

Automatisch zijn we op 10 mei 1940 lid van een bondgenootschap geworden, hebben dapper meegevochten, in het verzet gezeten, met de vijand geheuld of ons best gedaan om naar de oude traditie ons zo neutraal mogelijk te gedragen. Dat is de afgelopen weken weer uitvoerig gememoreerd. Maar er is weinig aandacht besteed aan het historische feit dat we op die datum ook weer lid zijn geworden van de internationale gemeenschap, zoals we het later zijn gaan noemen. Dat hadden na vijf jaar oorlog lang niet alle Nederlanders begrepen.

Niet lang na de Bevrijding zijn we aan onze laatste zelfstandig gevoerde oorlog begonnen, tegen het Indonesisch verzet dat onder leiding van Soekarno ons zo vlug mogelijk de hele Gordel van Smaragd uit wilde hebben. Ondanks toenemende waarschuwingen van onze bondgenoten hebben we met een leger en marine van omstreeks honderdduizend man een vergeefse strijd gevoerd die nog altijd bekend staat als de twee politionele acties. Eindelijk, in 1949 is met de Soevereiniteitsoverdracht aan dat drama een eind gekomen. Intussen was de Koude Oorlog begonnen en daarin zijn we tot de kleine trouwe bondgenoot geworden die we nu nog zijn. Met één intermezzo. We zijn ook nog van plan geweest, de Papoea’s in West Nieuw Guinea de democratie te brengen. Dat is evenmin gelukt, en toen moesten we door de Amerikanen weer op het spoor van de uitvoerbare politiek worden gebracht.

Dit is allemaal al drie generaties geleden. Objectief gezien geloof ik dat het lang heeft geduurd voor we tot de conclusie waren gekomen dat de tijd van Nederland als zelfstandige, neutrale militaire macht voorgoed voorbij was. Dat is allemaal op 10 mei 1940 begonnen. Moet je dat vieren, of herdenken? In ieder geval niet vergeten.