Asfalteren voor vrede in Uruzgan

Het meest ambitieuze ontwikkelingsproject in Uruzgan is de asfaltering van de weg van Tarin Kowt naar Chora. Maar niet alle dorpen werken mee, en de weg trekt onveiligheid aan.

Rahimullah, een dagloner die stenen sjouwt, heeft pas één dag werk gemist. „Dat was toen mijn zoon stierf”, zegt hij op het bouwterrein in Ali Shirzai, het centrale dorp in het district Chora in Uruzgan. Het jongetje was met hepatitis geboren en is vier jaar oud geworden. Tijd voor rouw had Rahimullah niet, de vijf dollar loon per dag zijn onmisbaar voor zijn gezin. Als de regen goed is, haalt hij een zak tarwe van zijn land, andere inkomsten zijn er niet. „We bidden voor GTZ”, zegt hij.

GTZ, de Duitse organisatie Gesellschaft für Technische Zusammenarbeit, is de uitvoerder van het door Nederland betaalde, meest ambitieuze ontwikkelingsproject in de Afghaanse provincie: de asfaltering van de weg tussen het hoofdstadje Tarin Kowt en het buitendistrict Chora. Veertig kilometer asfalt moet voor eind dit jaar van de hobbelige zandweg een levensader maken, die welvaart brengt en onveiligheid tegengaat.

Concreet: het moet boeren uit Chora en de dorpen langs het traject toegang geven tot de afzetmarkt in Tarin Kowt, en van daaruit die in Kandahar. Als de inkomens stijgen, zullen minder jongens zich aan de Talibaan verhuren, is de gedachte. En in asfalt kun je geen bermbommen verstoppen, waardoor bestuurders makkelijker naar de dorpen kunnen reizen om het leven van de mensen beter te maken.

De Duitse projectleider Annette Kleinbrod wordt een beetje moe van alle aandacht voor de weg. „Het is maar een onderdeel van het project”, zegt ze terwijl ze in een gepantserde truck een rondleiding geeft langs de andere onderdelen.

Vanuit tien dorpen worden de toegangswegen tot de hoofdweg verbeterd. Verder zijn er sterkere variëteiten amandelbomen, druivenranken en oliezaden verstrekt, en wordt er een proefboerderij aangelegd. Dammetjes moeten de irrigatie uitbreiden. Er komen kleine waterkrachtcentrales. En in Ali Shirzai bouwen Rahimullah en tientallen andere dagloners een markt, die tevens pleisterplaats voor handelaren moet worden. Het totale budget is 34 miljoen euro.

Al het werk wordt met lokale arbeidskrachten gedaan, en zoveel mogelijk met lokale bouwmaterialen. En: alleen als de bevolking er zelf om vraagt. Kleinbrod kan er met glanzende ogen over praten. „Nederland gaf ons als opdracht: wat je ook doet, zorg dat je het met de dorpen doet.” De investeringen moeten ten bate komen van de gewone mensen.

Het probleem is dat niet alle dorpen meewerken. Nog voor de helft van het traject begint een formidabel obstakel: de Baluchi-vallei. Talibaangebied waar de bevolking uiterst wantrouwig tegenover de Afghaanse overheid en buitenlanders blijft staan – ondanks of dankzij grote militaire operaties. „We hebben altijd onvoldoende middelen gehad om er na een operatie goed aanwezig te blijven”, legt brigadegeneraal Kees van den Heuvel, de commandant van de Nederlandse militairen, uit op Kamp Holland.

Als militairen zich na een operatie terugtrekken, volgen er wraakacties van de Talibaan, vaak met executies en andere vormen van terreur. „Dat betekent natuurlijk ook wat voor die mensen”, zegt Van den Heuvel. „Ze moeten er wel op kunnen vertrouwen dat als ze ergens bij betrokken worden, het ook doorgaat.”

Er is contact met de dorpen in de Baluchi, zegt Kleinbrod, en die hebben enkele verzoeken ingediend. Maar het zijn er te weinig om plannen te kunnen maken. „Het gaat stapje voor stapje voor stapje”, zegt de projectleider. Terwijl de asfaltering van de eerste 16 kilometer van Tarin Kowt na allerlei vertraging nu voorspoedig verloopt, is voor het deel door de vallei nog niet eens een ontwerp gemaakt. Er is veel optimisme voor nodig om te geloven dat dit nog voor het eind van het jaar afkomt.

GTZ en de Nederlandse opbouwwerkers op Kamp Holland hebben nooit willen denken aan het alternatief: de weg om de Baluchi heen leggen, door de woestijn, zodat Chora in elk geval ontsloten kan worden. „We zijn hier voor stabilisering en ontwikkeling”, zegt Kleinbrod met nadruk. „Wij werken met en voor de dorpelingen. Met een weg door de woestijn sluit je de dorpen uit.”

Generaal Van den Heuvel doet er niet langer geheimzinnig over: „We komen deze zomer voor het besluit te staan of we de weg door de Baluchi-vallei leggen of er omheen”, zegt hij. „We willen in ieder geval bereiken dat er een aansluiting komt van de Baluchi op de weg, zodat de mensen daar wel toegang hebben tot de economie, en meer bewegingsvrijheid. Later, als de tijd daar rijp voor is, kan de weg dan alsnog door de Baluchi.”

En zo dreigt het project vooral een symbool te worden van de te hoge verwachtingen voor Uruzgan. Een levensader met een bypass. Het lukt waarschijnlijk om de eerste zestien kilometer af te krijgen voor 1 augustus, de datum waarop Nederland het commando over de provincie zal overdragen, naar verwachting aan de Verenigde Staten. Maar over het deel door de Baluchi klinken op Kamp Holland opmerkingen als ‘het is onze zorg niet meer’ en ‘op een gegeven moment is het graag of niet’.

De weg trekt ook onveiligheid aan. „Ik zie elke dag wel een vlammetje op het scherm”, zegt een bron op Kamp Holland die wegens de gevoeligheid van het onderwerp anoniem wil blijven. Die vlammetjes duiden bermbommen aan. „Het is een prestigeproject, en ook de Talibaan moeten hun doelwitten uitkiezen.” In het noordelijke deel van de Baluchi-vallei, aan de kant van Chora, zijn de afgelopen drie maanden zeker twintig bermbommen aangetroffen, waarvan de meesten afgingen. Ook buiten de vallei worden ze geplaatst: Kleinbrod kan niet laten zien waar de weg moet eindigen, omdat vlak voor aankomst aan de rand van Ali Shirzai een net gelegde bom is gevonden.

Aan de beveiliging van de wegwerkers is dan ook veel te verdienen. En die beveiliging zelf heeft ook weer strijd opgeleverd. De Afghaanse aannemer RRCC, waaraan GTZ de aanleg had uitbesteed, raakte verstrikt in de complexe verhoudingen in Uruzgan. Het bedrijf wilde de beveiliging uitbesteden aan Matiullah Khan, de neef van oud-gouverneur Jan Mohammad Khan en momenteel de rijzende ster in de provincie. Nederland werkt niet met hem samen, omdat zijn militie in het verleden met geweld stammen heeft onderdrukt. Nu dragen zijn mannen uniforms en beveiligen zij de weg van Tarin Kowt naar Kandahar.

De Amerikanen in Uruzgan zien in Matiullah juist een partner. Ze gaan uit van zijn goede bedoelingen en werken bij voorkeur met de personen die de facto de macht hebben.

Stamleiders in het gebied langs de weg kwamen in opstand, zij wilden het contract zelf binnenslepen, en dulden geen oude vijanden op hun terrein. De belangrijkste onder hen zijn Nabi Khan Tokhi en Mohammad Daoud, het districtshoofd van Chora. Hun milities kwamen tegenover die van Matiullah te staan, en konden net op tijd door de politie ontwapend worden.

Inmiddels werkt GTZ met een andere aannemer, en bemannen strijders van Tokhi en Daoud de controleposten langs de weg. Dat is mede tot stand gekomen door druk van Nederland, dat probeert de macht van Daoud en Tokhi te versterken, omdat die beter samenwerken met het officiële provinciebestuur.

Maar de Nederlandse invloed in Uruzgan is beperkt, lokaal en eindig. De Amerikaanse ontwikkelingsdienst USAID verhardt de weg tussen Chora en het noordelijke district Gizab, waardoor er uiteindelijk aansluiting moet komen met Kabul. Dat project wordt beveiligd door Matiullah.

Meer achtergronden en foto’s op nrc.nl/buitenland