Arbeiderskinderen

wetenschapsbijlage 08-05-10

Paul Schnabel rondt zijn bespreking van Matthys’ proefschrift ‘Doorzetters’ over de ervaringen van universitair geschoolde arbeiderskinderen af met de suggestie overeenkomstig onderzoek uit te voeren onder nakomelingen van Turkse en Marokkaanse migranten. Aan de Rijksuniversiteit Groningen vindt dergelijk onderzoek al plaats.Vorig jaar verscheen van ondergetekende ‘Van huis uit Marokkaans’ (Amsterdam: Bulaaq), een op levensverhalen gebaseerde studie van ‘pionierende’ migrantendochters. De verhalen van deze allochtone sociale stijgers van het eerste uur vertonen frappant veel overeenkomsten met die uit ‘Doorzetters’: het ontbreken van rolmodellen in de eigen omgeving; weinig kennis en derhalve onzekerheid over onuitgesproken gedragscodes in de kringen waarin zij terechtkomen; gevoelens van eenzaamheid omdat zij er voor hun gevoel nooit helemaal bij gaan horen in die kringen, maar tegelijkertijd wel het ouderlijk milieu enigszins ontgroeien; schaamtegevoelens tegenover studiegenoten en collegae voor de thuissituatie, daar weer schuldgevoelens over, etc. Kortom, waar deze hoogopgeleide allochtone doorzetters mee te kampen hebben, is minder een kloof tussen de zogenaamde islamitische of Marokkaanse cultuur enerzijds en de Nederlandse anderzijds, dan een kloof tussen een arbeidersmilieu en de middenklasse.Aangezien de vrouwen specifiek uit ‘gast’arbeidergezinnen komen, zijn er naast overeenkomsten uiteraard ook verschillen. Sterker dan ouders uit Nederlandse arbeidersgezinnen zijn migrantenouders per definitie gericht op sociale stijging. Zij geven hun kinderen de paradoxale boodschap mee om alles te maken van wat het land van vestiging te bieden heeft, maar tegelijkertijd loyaal te blijven aan de habitus van hen die dit alles mogelijk hebben gemaakt. Anders dan ouders en hun sociaal gestegen kinderen uit een Nederlands arbeidersmilieu zijn migrantenouders en -kinderen geneigd om de hierboven geschetste ‘prijs van sociale stijging’ te duiden in termen van ‘vernederlandsen’ in plaats van ‘kapsones krijgen’. Daarnaast is de afwijkende afkomst van allochtone sociale stijgers duidelijker zichtbaar dan die van stijgers uit Nederlandse arbeiderskringen, en is hun culturele identiteit sterker gestigmatiseerd. Behalve naar gedeelde ervaringen verwijzen de verhalen van de eerste HBO- en universitair geschoolde migrantendochters die doordrongen tot de Nederlandse arbeidsmarkt dus ook naar voor hen specifieke ervaringen.Intussen neemt zowel in Nederland als in Marokko de categorie hoogopgeleiden snel toe. Om de ervaringen van de ‘pioniers’ uit ‘Van huis uit Marokkaans’ te vergelijken met huidige generaties Marokkaanse stijgers, vindt er momenteel NWO-gefinanceerd promotieonderzoek plaats naar de specifieke betekenis van rolmodellen voor Marokkaanse sociale stijgers in zowel Nederland als in (steden in) het Marokkaanse Rifgebergte, waar de oorsprong van de meeste Marokkaaanse Nederlanders ligt.

Marjo Buitelaar

Warffum