'1948' achtervolgt Palestijnen nog

Theatermaker Zuabi heeft succes met een stuk over de Onafhankelijkheidsoorlog. „De oorlog van ‘48 is de wortel van het Israëlisch-Palestijns probleem.”

„Ik probeer het zwijgen in Israël te doorbreken”, zegt theatermaker Amir Nizar Zuabi (33). „Zoals we hier zitten, in een koffiebar in Tel Aviv, herinnert niets aan de tragedie van 62 jaar geleden. Je ziet mooie mensen die plezier hebben. Dat is de façade. Ik loop rond in Israël en denk: daar stond een Arabisch huis, dat moet een mooie wijk zijn geweest. Alles herinnert me aan de tragedie van 1948.”

Amir Nizar Zuabi, een beweeglijke jongen met vuurspuwende ogen, is een Palestijn met een Israëlisch paspoort. Hij woont in het hippe centrum van Tel Aviv, the bubble, waar iedere herinnering aan oorlog, bezetting of leed vakkundig is weggepoetst. Dit weekend herdenken Palestijnen in en buiten Israël de 62e verjaardag van el-Nakba, ‘de Catastrofe’. In 1948 werden meer dan zevenhonderdduizend Palestijnen verjaagd of vermoord door joodse strijdgroepen. Honderden Arabische dorpen werden verwoest.

De Palestijnen die achterbleven, zoals Zuabi’s ouders, hebben nu de Israëlische nationaliteit. Zuabi’s vader woonde in Nazareth, de enige Arabische stad in Noord-Israël die tijdens de oorlog gespaard werd. „Die toevalligheid heeft bepaald dat ik hier zit, met mijn blauwe Israëlische paspoort. Dat betekent niets voor mij. Ik ben Palestijn, geen Israëliër. Ik had net zo goed in Syrië geboren kunnen worden, of Libanon.”

Zuabi schreef en regisseert het theaterstuk Ik heet Yusuf en dit is mijn broer, waarin de gebeurtenissen van 1948 in een dorp in Galilea, Noord-Israël, centraal staan. Joodse groepen naderen het dorp, het Britse leger verlaat het gebied, en de Palestijnen staan voor een keuze: weggaan of blijven? „De tijd is toen opgehouden door te gaan”, zegt Yusuf, de hoofdpersoon in het stuk. Zuabi: „Zo voelt het voor iedere Palestijn. Alles wat er sindsdien is gebeurd, staat in de schaduw van 1948.”

Het stuk werd een hit in het buitenland. Wekenlang waren de voorstellingen in theater The Young Vic in Londen uitverkocht, de kritieken waren in heel Europa lovend. Inmiddels vertoont Zuabi zijn stuk ook in Israël en op de bezette Westelijke Jordaanoever. „Het is een van de zeldzame toneelstukken over de Nakba”, zegt hij. „Joodse Israëliërs weten van niets. Op school leren ze alleen over de heroïsche kant van die oorlog, dat Israël toch maar mooi gesticht is. Over de schaduwkanten hoor je niets.”

Amir Zuabi laat Ik heet Yusuf ook in Israëlische zalen spelen. De eerste voorstelling, voor een grotendeels joods-Israëlisch publiek in Jaffa, was al bijna uitverkocht. De Nakba is actueel in Israël, nu de extreemrechtse regeringspartij Yisrael Beiteinu probeert openlijke herdenkingen te verbieden. In de Knesset, het Israëlische parlement, ligt een wetsvoorstel dat dat mogelijk moet maken.

Het Palestijnse narratief is óók gebrekkig, zegt Zuabi. „Het is een taboe. Palestijnen herdenken de Nakba ieder jaar. We zitten alleen gevangen in politieke abstracties, met kreten als ‘we moeten de bezetting eindigen’. Dat is zo, maar de gewone verhalen van 1948 worden niet verteld.”

De Palestijnse gemeenschap in Ik heet Yusuf gaat tijdens de oorlog van 1948 mede ten onder door interne twisten. Sommige dorpsbewoners willen vechten, ze beschuldigen elkaar van collaboratie met de joden. „Dit is het grote taboe voor Palestijnen: het einde van wat we onze samenleving kunnen noemen. Iedere jonge Palestijnse artiest, ik ook, heeft instinctief het gevoel dat je het maar beter niet kunt oprakelen.”

Europeanen, zegt Zuabi, beginnen altijd over 1967, de Zesdaagse Oorlog, als de bepalende gebeurtenis in het Israëlisch-Palestijns conflict. „Maar de Onafhankelijkheidsoorlog van 1948 is de wortel van het probleem. Het Westen negeert dat liever, omdat het zelf zo’n grote rol heeft gespeeld bij de stichting van de joodse staat Israël. Iedereen heeft belang bij vergeten.”