Witlof van de Voedselbank

Welvaart of crisis. In het Brabantse dorp Deurne slaat alles harder toe dan elders. „Iemand die meer dan drie uur per nacht slaapt, is lui.”

De jonge groenteboer zet de bakjes aardbeien met zorg achter zijn etalageruit. Ze moeten passanten binnenlokken die over de Martinetstraat naar het marktplein van Deurne slenteren. Twee weken geleden probeerde hij het met asperges. Zonder succes. Willem Manders (30) kan niet concurreren met de supermarkt. „Hoe duur is het?”, hoort hij sinds een jaar steeds vaker.

Een jaar geleden beschreef NRC Handelsblad hoe de economische crisis aankwam in Deurne. Juist daar, want heerst er in de wereld voorspoed, dan heerst er in dorpen als Deurne nog meer voorspoed. Dan staan vrachtwagens in een file van Eindhoven tot het Ruhrgebied. Dan is er zoveel werk dat Deurnese ondernemers niet weten waar ze de lassers, laders en loodgieters vandaan moeten halen.

Maar gaat het slecht in de wereld, dan gaat het in Deurne nog slechter. Het netwerk van relatief laagwaardige industrie met laagopgeleide mannen stort dan als eerste in. Dat was in Deurne goed te zien. Orders halveerden, werkplaatsen stonden leeg en vrachtwagens stil.

Hoe lang zouden ze het volhouden in Deurne? Tot de zomer van 2009, zeiden de ondernemers toen. Dan moest het beter gaan. Anders zouden er ontslagen en faillissementen komen. Nu is het mei 2010. Hoe is het de ondernemers vergaan?

Toen groenteboer Manders zijn winkel met verouderend klantenbestand een jaar geleden van zijn vader overnam, was die ten dode opgeschreven. Er zijn veel supermarkten in Deurne, vertelt hij. Negen prijsvechters in een straal van vier kilometer voor 25.000 inwoners. De Rabobank deed moeilijk over de lening voor de verbouwing. Manders dreigde over te stappen naar de ING, want „die moest van meneer Bos in ondernemers investeren”. Toen kreeg hij toch de anderhalve ton die hij nodig had. Daarna kwamen er dertig klanten per dag extra in zijn winkel. Maar sinds februari zijn de Albert Heijn en de Jumbo op zondag open. Ze hadden hun omzet zien kelderen en een list bedacht. Met volle karren lopen klanten nu weer naar buiten.

Vervolg Deurne: pagina 14

De overlevingskunst van Brabantse ondernemers

Zes dagen in de week staat Manders om vier uur ’s ochtends op om te koken. Raapstelenstamp met worst, witlof met vink. Nee, van de verse groenten moet hij het niet hebben. Als hij op een bloemkool een marge van twintig procent haalt, is het veel. Salades, maaltijden en soepen. Daar kan hij zich mee onderscheiden. Daarop haalt hij marges van veertig procent. Een krop sla en een komkommer zijn daar zo meegepakt in de supermarkt. Manders maakte dus een plan. De toonbank moest er uit, koelvitrines moesten er in, en spotjes om de appels en sinaasappels mooi uit te lichten.

Om half zeven ’s avonds ploft hij in zijn woning boven de winkel op de bank. „Een hoteleigenaar zei me ooit: ‘Iedereen die meer dan drie uur per nacht slaapt, is lui.’ Dat vond ik mooi. Maar op zondag hoop ik mijn deur zo lang mogelijk dicht te kunnen houden.”

Ze zijn er allemaal nog, de ondernemers die een jaar geleden ook aan het woord kwamen. Maar hoe is het hun vergaan?

De fabriek van roosters voor varkensstallen van zes boerenbroers, Nooyen Brothers – professionals in pig flooring, staat nagenoeg leeg. Van de vijftig medewerkers is een enkeling over. Vorig jaar was de productie al met vijftig procent teruggelopen en liepen de broers met hun handen voor de ogen door de fabriek. De Nooyens waren de eersten die reorganiseerden. Zijn ze failliet? Deurnese mensen lachen als je dat vraagt. Die gaan niet failliet, al had je het graag, zeggen ze. Die hebben plannen om het kasteel, hun gastenverblijf, uit te breiden, weten ze. De broers verlieten enkel Deurne om de productie naar België en China te verplaatsen. Sinds de varkenspest houden ze varkens in Spanje.

Bouwer Martien Bots (51) is onverminderd bruin en stralend. „Slapeloze nachten. Waarom?”, lacht hij. Vorig jaar stelde hij dat de recessie kansen bood en zijn bedrijf fors groeide dankzij overnames voor een prikkie. Maar de lange winter met veel sneeuw was natuurlijk slecht voor de bouw. Dus timmerde hij kasten, ontwierp een energieneutrale woning. Hij bouwde een unit waarin tandartsen tijdelijk kunnen werken als hun praktijkruimte wordt verbouwd. Vroeger was hij een conservatief ondernemer. Nu verplicht de recessie hem creatief te zijn. Hij denkt mee met klanten, ontzorgt. „Ik onderscheid me van de rest.”

Nee, van de markt moet hij het nu niet hebben, zegt Bots. Hij schrijft nog wel eens in, maar haalt weinig opdrachten binnen. Collega’s bouwen voor bodemprijzen. Dat zou hij nooit doen. „Dat gaat ten koste van de kwaliteit.” Bovendien: „Van werk dat niet rendeert, blijft je toko niet overeind.” Ooit haalde hij tachtig procent van zijn omzet van de markt, nu nog twintig. Nu verdient hij aan projectontwikkeling en zijn bouwteam.

Vallen andere bouwers om? „Dat gaat zeker komen.” Wat doen ze verkeerd? „Ik weet het niet en ik wil het niet weten.” Is het gevecht hard? „Natuurlijk.” Is de crisis een zegen? „Eerlijk? Ja. Het kaf gaat van het koren. Ondernemers kijken kritisch naar hun organisatie. Klanten worden weer gerespecteerd.” Bouwer Bots lacht. Maar niet om de anderen. Hij haat leedvermaak. Hij vraagt zich wel af waarom ze nooit naar hem toekomen. Waarom ze niet willen weten hoe hij het doet. „Niet om belerend te zijn of zo.” Hij denkt omdat de angst zich bloot te geven groter is dan het verlangen te leren en verder te komen. Hij zegt: „Durf in de spiegel te kijken.”

Bots heeft respect voor trailerbouwer Peter Joosten van Knapentrailers. Vorig najaar had hij niet veel meer te doen want de vraag was met zestig procent ingezakt. Trailerbouwers die langer bestonden dan hij, gingen failliet. Maar Peter Joosten hield vol. Hij mediteerde ’s ochtends om niet chagrijnig te worden. Als een van de eersten in Nederland vroeg hij deeltijd-WW aan. Een half jaar lang bouwden zijn zeventig werknemers op donderdag en vrijdag geen aluminium trailers, maar verbeterden zij hun vakbekwaamheid. Nu trekt de vrachtwagenbouw langzaam aan en moet het wel raar lopen als hij het niet gaat redden. Deze ondernemer verstaat een kunst die er niet veel verstaan. Daarover is ondernemend Deurne het eens.

Het Deurnese college is ongewijzigd, dus Henk Kerkers (45, CDA) is nog steeds wethouder van Economische Zaken. Hij maakt zich zorgen om de glastuinbouw en de bouw. Op de hoek van elke Deurnese straat woont wel een bouwvakker. De bouw is goed voor vijftien procent van de werkgelegenheid in het dorp. Vorig jaar zijn 300 woningen afgebouwd. Nu is minder dan de helft in aanbouw. Het grootste bouwbedrijf in Deurne, Coopmans Lutters, heeft de personeelsbezetting meer dan gehalveerd. Kerkers: „Schilders, stukadoors – ze zullen het moeilijk krijgen.”

En wat kan de wethouder doen? Het overzicht bewaren, cijfers verzamelen. Hij lepelt ze op. Het aantal werklozen nam met 19 procent toe ten opzichte van februari vorig jaar. Het aantal mensen met recht op een uitkering steeg met 13,2 procent en zal, gezien het aantal werklozen, verder stijgen. Sinds juli 2009 groeide het aantal aanvragen voor schuldhulpverlening fors. Gevolg: een wachttijd van zeven weken voor de behandeling ervan.

Steeds meer mensen nemen pakketten met chips en witlof in ontvangst bij de voedselbank in oude kerk aan het Willibrordusplantsoen. Een ambtenaar vertelt ze er over de pc-regeling voor minima met kinderen, die de gemeente onlangs in het leven riep. Kerkers: „Nooit eerder trok ik zoveel op met mijn collega van Sociale Zaken.”

Tuinmeubelmaker Kettler, wereldmarktleider polyester banden Cordstrap, koffiedistributeur Thermo-Centre. Het zijn de grotere bedrijven met verschillende vestigingen die het afgelopen jaar uit Deurne vertrokken. Ze lieten lege bedrijfspanden achter. Hergroepering van activiteiten. Strategische heroverwegingen. Zo heet dat dan.

Transportondernemer Peter-Alexander Driessen kent er nog zo een. Hij bleef met zijn vrachtwagens en opslaghallen in Deurne maar „rationaliseerde zijn organisatie”. In zijn donkerblauwe krijtstreep pak met schoenen in vele kleuren bruin leer – „uit Amsterdam” – vertelt hij wat dat inhoudt. Een jaar geleden halveerde bijna het aantal vrachtwagens dat hij op de weg kon houden. Dus ging de transportplanner naar de afdeling opslag. De man van de afdeling douane houdt zich nu bezig met zeevracht. Zijn 125 mensen konden blijven, maar het werk is herverdeeld. Sommige werknemers bleken star. Dat begrijpt hij niet. Dan denkt hij: „Heb jij geen hypotheek? Heb jij geen kinderen. Wat zit je nou moeilijk te doen? Als je niet wilt...” Hij wijst naar de deur.

Broodjes tussen de middag zijn er niet meer bij Driessen. Er wordt op vrijdag geen Chinees meer besteld. Er staat geen fruit meer op tafels. Ondertussen investeerde hij anticyclisch. Hij verving een groot deel van zijn wagenpark, want jonge, gebruikte vrachtwagens gingen voor de helft van het geld. Hij liet zijn opslaghallen – „ik durf het haast niet te zeggen” – voor veertig procent minder dan in goede tijden klaarmaken voor voedselproducten. Driessen zit er niet mee. „Wat is de prijs? Voor wie het wil maken”, zegt hij. „Iedereen is eigen baas. Maar ik heb wel gedacht: ‘ik zou het niet doen’. Veel ondernemers gaan door tegen beter weten in. Stoppen zou wijzer zijn.”

Driessen wil nu een „foodplein” gaan bouwen, met bedrijven die halffabricaten maken voor de voedselindustrie. Zij kunnen huisvesting, opslagruimte, transport van hem huren. Hoeven zij zich daar geen zorgen om te maken. Dat heeft hij onder druk van de recessie bedacht. Vroeger vervoerde hij iedere doos die voorbij kwam. Nu wil hij zich focussen op een veilige, stabiele markt. „Eten moeten we toch.”

Zijn dertig vrachtwagens rijden weer allemaal. Er wordt zelfs iets aan verdiend. Zijn omzet is nog steeds twintig procent onder het niveau van 2007, maar Driessen heeft geen rode cijfers hoeven schrijven. „Het bedrijf staat in de slaapstand.” Zelfs als de conjunctuur niet verder aantrekt, kan de Driessen Group het zo lang volhouden. Hij is even stil. „Of mijn klanten moeten vertrekken. Als mijn opslaghallen leeg raken, heb ik een serieus probleem.” Stilte. „Of ik moet te maken krijgen met grote faillissementen en mensen die niet kunnen betalen.”

Dan begint hij over Europa. „Vorig jaar zei ik nog dat de Europese politiek me niet interesseerde. Nu is dat anders.” Hij maakt zich zorgen. Zal de reddingsoperatie afdoende zijn? Hij ziet de euro zakken ten opzichte van de dollar. Zijn klanten kunnen moeilijker exporteren. „Er is onzekerheid. En die kunnen we niet gebruiken.”

Hij is er nog niet aan toe zijn bedrijf te verkopen en iets anders te gaan doen. Hij hoopt dat zijn foodplein lukt. Dan heeft hij over tien jaar een verkoopbaar bedrijf in de aanbieding. Hij zucht. „Hij is nog niet voorbij, hè, de crisis.”

Deurne ligt op schrale zandgronden, boeren leefden er vroeger van een kip en een koe. Het was een van de meest achtergebleven gebieden van Nederland. Tot Deurnenaar Hub van Doorne aanhangers ging bouwen en later, na de oorlog, auto’s en vrachtwagens: DAF. Tot Philips er een lampenfabriek bouwde en boeren groot werden in de varkensindustrie.

Deurnese mensen zijn gewend te zwoegen. Ze leerden omgaan met tegenslag. Zo was er het faillissement van DAF in 1993 en in 1997 de varkenspest.

Tegeltjeswijsheden geven houvast. „Na regen komt zonneschijn”, en „Deurnese mensen gaan vooruit, ze kennen geen andere weg”, zegt wethouder Kerkers. „Niet janken”, zegt bouwer Bots.

Groenteboer Willem Manders heeft al lang bedacht wat hij zal doen als zijn omzet toch terugloopt. „Dan verhuur ik deze winkel en ga ik naast de Albert Heijn zitten. Dan ga ik ook op zondag open.”