Verbeter de wereld, begin op zee

Voor het Autodidactisch Front, een groepje jonge kunstenaars, zijn kunst en leven één. Met een eigenhandig gerestaureerde boot willen ze de zee op. Daarmee passen ze in een lange traditie van activistische en varende kunstenaars.

De Rotterdamse Landenbuurt is een rustige, doodgewone woonwijk in de Rotterdamse deelgemeente Delfshaven. De wijk ligt tussen het Marconiplein en Schiedam, naast het fameuze Witte Dorp van De Stijl-architect J.J.P. Oud. De Landenbuurt zelf is bouwkundig minder opzienbarend. De buurt bestaat uit lange rijen portiekwoningen van drie à vier verdiepingen hoog, die zo rond 1940 zijn gebouwd. De straten, vernoemd naar Europese landen, zijn wat opgevrolijkt met metalen vlaggetjes onder de straatnaambordjes.

Ook in andere opzichten is over de Landenbuurt niet veel spectaculairs te melden. Vroeger werden in deze wijk officiële rijksvaccins gemaakt tegen dierenziekten. En een veterinair arts die hier werkte, schijnt koningin Wilhelmina destijds te hebben geholpen toen het haar niet lukte om kinderen te krijgen. Maar dat is allemaal al even terug. Andere delen van Delfshaven komen nog weleens in het nieuws wegens drugsoverlast of andere grotestadsproblematiek, maar de Landenbuurt niet. Hier gebeurt nooit iets. Althans, niet in het zicht.

Maar juist hier, achter een van de vele identieke huizenblokken, in door Gammaschuttingen afgeschermde tuintjes, is de laatste maanden gewerkt aan een kunstwerk dat de wereldzeeën moet gaan veroveren. Het Autodidactisch Front, een klein groepje Rotterdamse kunstenaars, restaureert er een grote boot. Deze kregen ze aangeboden van een bekende, die daarbij waarschuwde voor de staat van de romp. Er zat een gat in van vijf meter doorsnee. „Geeft niets, hebben we wat te doen”, zeiden de kunstenaars, die het werkstuk met een kraan en veel spektakel in het achtertuintje lieten plaatsen. Dankzij de straatnaam, Russische straat, hoefden ze ook niet na te denken over een bestemming. Zodra de boot zeewaardig is, kiezen ze het ruime sop richting Rusland, het grote avontuur tegemoet.

Het bouwen van een boot past in de levenskunstfilosofie van deze nog piepjonge kunstenaars – vorig jaar verlieten de meesten van hen de Rotterdamse Willem de Kooning Academie – zo autodidactisch zijn ze dus niet. Hun gezamenlijke afstudeerpresentatie bestond uit de oprichting van een eigen uitgeverij en uit plannen voor een ‘autodidactische fietswerkplaats’, die uiteindelijk niet doorging. Een rode draad in hun optimistische werk is het vormgeven van het leven. Na de zomer opende het Front een postkantoor: iedereen die een brief inlevert, mits met mooie zelfgemaakte postzegel, krijgt de garantie dat de brief persoonlijk wordt afgeleverd bij de geadresseerde. Misschien kan die boot daar straks ook nog bij helpen.

Boten spreken tot de verbeelding, niet alleen bij zeilmeisjes maar ook bij kunstenaars. Het anker lichten, koers bepalen, de elementen trotseren – beschrijf een boottocht en je hebt al tal van metaforen voor een eigengereide levensloop vol avontuur. Afgelopen zomer werd nog een groot bootproject uitgevoerd waarmee een groep jonge kunstenaars afstudeerde aan de Minerva Academie in Groningen. Eerst bouwden ze een dorp in een weiland maar dat werd in brand gestoken. Niet snel uit het veld geslagen, bouwden ze vervolgens samen een boot.

Net als hun Rotterdamse leeftijdsgenoten wilden ook de Groningers kunst en leven doen versmelten. Wie welk deel van de boot had gebouwd, verklapten ze niet. Het ging om het samenwerken. Gehuld in zelfgemaakte zeemanskleding voeren ze per boot de stad door. Ze hielden kippen op de boot, bakten frieten voor passanten en musiceerden op zelfgemaakte instrumenten. Het plan was om vervolgens in Frankrijk een festival te improviseren om geld in te zamelen voor hulpbehoevende kamelen. Maar dat werd afgeblazen.

Deze kunstacties staan niet op zichzelf. In de afgelopen honderd jaar was de boten bouwende kunstenaar een terugkerend fenomeen dat zich doorgaans onttrekt aan het zicht van het grote publiek en ook van veel kunsthistorici. Avontuurlijke levenskunst schuwt vaak de massa en de media. Zo heeft u misschien nooit gehoord van de zeevarende avonturier Arthur Cravan, hoewel hij een buitengewoon boeiende kunstenaar en dichter was. Met tal van pseudoniemen, valse paspoorten en oplichterij verplaatste hij zich een eeuw geleden over de wereld. Omstreeks 1910 begaf hij zich in de Parijse kunstkringen waar hij zich als kunstcriticus gehaat maakte bij de avant-gardes. Hij is weleens door een groep boze kunstenaars op een straathoek opgewacht en in elkaar geslagen.

Maar Cravan was een vriend van andere kunstenaars, zoals Marcel Duchamp en Francis Picabia. Duchamp noemde hem ‘de ziel van Dada’. Dat sloeg op Cravans criminele inslag, zijn landloperij, luidruchtige dronkenschap, en scandaleuze optredens in de kunstwereld. Volgens de stripbiografie Arthur Cravan – Mystery Man of the Twentieth Century zou Cravan wellicht het pseudoniem R. Mutt hebben gebruikt en vermoedelijk de bedenker zijn geweest van Duchamps roemruchte urinoir dat deze handtekening droeg. In elk geval sprak Cravan een lezing uit bij de opening van de tentoonstelling in 1917 in New York, waar het urinoir voor het eerst zou worden geëxposeerd. Een lezing die zo onfatsoenlijk was dat de spreker van het podium werd verwijderd. Cravan nam in 1918 de boot naar Mexico om aan de dienstplicht te ontkomen. Daar verdween hij spoorloos. Ondanks historisch onderzoek blijft mysterie zijn persoon omringen.

De vermeende bootavonturen van Cravans kompanen Duchamp en Picabia zijn al even mysterieus. Volgens het boek Dada uit de koffer van de Spanjaard Enrique Vila-Matas behoorden zij tot een kunstenaarsgenootschap, het Collectief der draagbaren, waarvan de leden niets meer mochten bezitten dan wat in een koffer paste, zodat ze nergens verankerd waren en er altijd opuit konden trekken – de liefde, het noodlot of wat dan ook tegemoet reizen. Picabia zou in 1924 een openbaring hebben gehad: de Afrikaanse stad Port Actif klonk bijna synoniem met ‘portatif’, draagbaar! Een dag later zaten hij en zijn Surrealistenvrienden, onder wie Duchamp, en Jacques Rigaut, op de boot. Eenmaal in Port Actif gingen ze in de plaatselijke kroeg zitten, er helemaal klaar voor om nieuwe tekenen te ontvangen en het onbekende te omarmen. Waarschijnlijk sloeg de verveling toe, want ze keerden teleurgesteld terug naar Europa.

Vila-Matas vertelt nog meer fantastische verhalen, vol opiumwalmen, bijvoorbeeld hoe Max Ernst, Paul Klee en andere kunstenaars meereisden op een onderzeeër van een Georgische prins, wiens vorstenhuis – zoals zo vele – was afgeschaft in het toenmalige Europa van revoluties en oorlogen. Toen dit boek dertien jaar geleden verscheen, werd het door de pers afgedaan als vermakelijke nonsens. Inderdaad zit het vol onwaarheden, maar helemaal nonsens is het ook niet. Dit waren de ‘bandeloze en uitzinnige helden van de verloren strijd die het leven is’, schreef Vila-Matas terecht.

De parallellen met zeevarende en boten bouwende kunstenaars van nu liggen voor de hand. Ook zij zijn jong en verheffen hun leven tot kunst door het toeval te verwelkomen – een anagram van een Afrikaanse stad, een straatnaam in de Landenbuurt, of een verhaal over zielige kamelen in Oost-Europa. En wie een beetje de kunstgeschiedenis induikt, ontdekt de ene botenbouwer na de andere. Vooral in de jaren zestig en zeventig deden boten het goed. In Amsterdam woonde antirookmagiër Robert Jasper Grootveld, die na enkele grote zeereizen als hutbediende kunstenaar werd en vlotten ging bouwen. In provostad Amsterdam vestigde zich ook de Amerikaanse kunstenaar Viktor IV. ‘Who needs the Pacific Ocean’, schreef hij op zijn woonboot, een oud vrachtschip in de Amstel. Dit schip, omringd door allerlei bizarre aanbouwsels en vlotten vol planten en dieren, was het Gesamtkunstwerk van zijn leven. Hier schreef en tekende hij zijn logboeken en ontwierp hij zijn absurde klokken met een eigen tijdssysteem, tot hij in 1986 in de Amstel verdronk.

De jonge avonturier Bas Jan Ader besloot na enkele grote zeereizen kunstenaar te worden en videoperformances te maken over spanning en noodlot. In 1975 voer Ader met een bootje de zee op om nooit meer terug te keren – 33 jaar oud, twee jaar ouder dan Cravan. „De zee, het land, de kunstenaar heeft veel verdriet. Wetend dat ook zij niet meer zullen zijn”, is een melancholieke uitspraak van Ader die klinkt als Picabia’s woorden: ‘tussen mijn hoofd en hand staat altijd het gezicht van de dood’.

Aders melancholie is niet te vergelijken met de losgeslagenheid van radicalen als Cravan en Picabia die, zoals andere kunstenaars uit het Interbellum, de gevestigde orde omver wilden werpen. Ook in de jaren zeventig was de kunst volop in beweging. Performance- en conceptuele kunstenaars promoveerden daden en ideeën tot kunstwerk – zodat ook een daad als wegvaren een kunstwerk kon zijn.

Omstreeks 1970 waarschuwden de Situationisten, een politiek geëngageerde avant-gardebeweging die in 1957 was opgericht, voor het gevaar dat de media alle cultuur als kant-en-klaar vertier voor de massa opdienden. Dat gevaar kon je als kunstenaar volgens de Situationisten alleen ontduiken via kluizenaarschap, vrije liefde, dronkenschap en een vergeetachtig en vluchtig leven. Ook vanuit die filosofie is wegvaren een oplossing.

Kunstenaars van nu willen het systeem niet meer omverwerpen, maar schoonheid creëren, en interactie. Gebaande paden benutten ze waar het ze uitkomt. De Groningers werken met vergunningen en de Rotterdammers zoeken contact met kunstinstellingen (maar reageerden niet op verzoeken om met deze krant te praten). „Concrete poëzie”, zegt academiedocent en kunstenaar Rolf Engelen over zijn pupillen van het Autodidactisch Front. Zelf opereerde hij op enigszins vergelijkbare wijze in de Landenbuurt. Hij maakte in opdracht een kunstwerk in de openbare ruimte waarbij hij een boekje produceerde in een oplage van vijf. Het was bedoeld voor een jongetje dat daar woonde en door een dominante vader werd geterroriseerd. „Als kunst iets kan betekenen, dan is het misschien troost en schoonheid”, zegt Engelen.

Zoals Engelen met zijn geschenk het leven van een kind iets hoopt te verlichten, wil het Autodidactisch Front door een boot, postkantoor of fietswerkplaats contact tussen grotestadsbewoners stimuleren. Via het bouwen ontstaan verhalen, contacten, en groeit het kunstwerk in de Landenbuurt tot iets wat mensen bindt.

Eind jaren negentig kreeg Tadashi Kawamata een kunstopdracht van een verslaafdenkliniek die zich ergens bij Alkmaar bevond. Hij had te doen met de verslaafden die hier uit het zicht van de rest van de mensheid moesten blijven en motiveerde hen om samen met hem een boot te bouwen. Dat deden ze en toen de boot af was, vertrokken ze samen, de maatschappij in.

Enkele maanden geleden werd bekend dat kunstenaar Ahmet Ögüt – met subsidie van het Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst – Bas Jan Aders boot heeft nagebouwd en dat deze nu, een stuk veiliger, over het IJ vaart bij de Tolhuistuin in Amsterdam-Noord.

Het avontuur in de kunst is nu volledig geaccepteerd. Het past in het ideaalbeeld van artistieke vrijheid en individualiteit dat de Nederlandse kunstsubsidiënten hoog willen houden. Maar dit soort avontuurlijke kunst kan dus ook op een verrassende manier maatschappelijk betrokken zijn. Geëngageerde kunst wordt vaak weggezet als dienstbaar en inferieur, maar Nederland heeft juist een mooie traditie in beeldende kunst die een bijdrage wil leveren aan een betere wereld, zonder dat ze ophoudt met dromen.

Misschien is dat nog wel de mooiste les van deze kunstgeschiedenis van zeevaarders en botenbouwers: hoe avontuurlijke kunst past in een anarchistische avant-garde maar tegelijk onze wereld probeert te verbeteren. Ook al zult u er misschien nooit meer iets van horen.

Ahmet Ögüt vaart op 28, 29 en 30 mei met zijn replica van het bootje van Bas Jan Ader tussen het Centraal Station in Amsterdam en de Tolhuistuin in Amsterdam-Noord heen en weer, onder de noemer ‘Guppy 13 vs Ocean Wave, a Bas Jan Ader Experience’. Inl: www.tolhuistuin.nl