Tussen verbeelding en werkelijkheid

J.M. Coetzee wordt 70. Velen spreken dit weekeinde hun bewondering uit voor de auteur.

Een Zuid-Afrikaan die in zijn werk niet loskomt van zijn wortels.

Onaantrekkelijk. Een slechte minnaar die een orgasme wil bereiken op muziek van Schubert. Cultureel conservatief, autistisch, mislukt, kortom: een ‘slapgat’, een ‘niets’. Ziehier Coetzee in een notendop, dat wil zeggen, de hoofdpersoon van de ‘autre-biografische’ roman Zomertijd van J.M. Coetzee. Maar die gelijkstelling levert ook meteen een probleem op: de Coetzee uit Zomertijd is namelijk dood, en anderen laten zich uit over de betekenis van zijn werk. Het boek is te lezen als de uitwerking van de nachtmerrie van elke auteur: hebben mijn werk en ik wel enige rol van betekenis gespeeld? Als je dan, zoals Coetzee (de schrijver) alvast opschrijft dat het allemaal niet veel heeft voorgesteld, heb je je toekomstige necrologen de wapens bij voorbaat uit handen geslagen.

Altijd lastig, de relatie tussen verbeelding en werkelijkheid; de ene auteur weet er beter mee om te gaan dan de ander. Coetzee beheerst het spel tot in de finesses. Hij speelt met canonieke werken en wereldberoemde personages, en natuurlijk met zijn lezers die niet alleen moeten meegaan in postmoderne spelletjes van verwijzingen, maar ook voortdurend betrokken worden in een spel van aantrekken en afstoten. Wie de auteur denkt te betrappen op een persoonlijke gedachte, krijgt het lid op de neus: dit is immers fictie, het is taal. Ga dus niet uit van een een-op-eenrelatie tussen auteur en personage. Toch is er altijd de suggestie dat ze nauw gerelateerd zijn. Naast drie ‘autre-biografieën’ – let op: noem ze géén autobiografieën, zelfs al deelt het hoofdpersonages de naam met zijn schepper en zijn er veel andere overlappingen met de controleerbare werkelijkheid – creëerde hij ook een vrouwelijk literair alter ego: Elisabeth Costello, een vrouw ‘die handelt in fictie’.

‘Alles wat je van je afkomst afweet, bereikt je in een vorm van verhalen’, laat Coetzee een personage in Foe zeggen, de roman uit 1986 waarin Robinson Crusoe, Vrijdag en hun schepper Defoe (in de roman Daniel Foe) aan het woord zijn. Of beter gezegd, níét aan het woord zijn, want Crusoe (Cruso in de roman) sterft voordat hij in Engeland aankomt om het verhaal te doen over zijn kluizenaarsbestaan. Vrijdag heeft geen tong en zwijgt dus ook en zo kan niemand hem zijn versie op de geschiedenis ontlokken, noch ontnemen.

Niemand kan ook straks Coetzee zijn ervaring ontnemen bij dit festival. Hij zal vooral zwijgen en toekijken hoe anderen hun bewondering verwoorden. En die anderen zullen zich, net als de personages in Zomertijd, uitspreken over de waarde van Coetzees werk. Eigenlijk wordt via alle avonden en bijeenkomsten rondom zijn verjaardag het ultieme spel tussen verbeelding en werkelijkheid gespeeld. De sprekers zijn personages geworden, zij het dat ze vast iets aardigers gaan zeggen dan de personages in Zomertijd, en zal het werk vast niet getypeerd worden als werk geschreven door een ‘slapgat’.

Dat zou niet alleen onvriendelijk zijn tegenover de jarige, maar natuurlijk ook onterecht. Veel meer dan bijvoorbeeld de hier in Nederland ook bekende Zuid-Afrikaanse schrijver André Brink, heeft het werk van Coetzee dat geschreven werd vóór de omwenteling in Zuid-Afrika zijn waarde behouden. Brink – en soms ook Nadine Gordimer (die net als Coetzee de Nobelprijs voor literatuur ontving) – is in zijn werk expliciet in zijn politieke betrokkenheid, terwijl het werk van Coetzee veel minder direct aan gebeurtenissen is gerelateerd. Niet voor niets werd bijvoorbeeld Coetzees roman Wachten op de barbaren (1980) gezien als een allegorie op angst voor terrorisme, zonder dat je die nu direct aan een tijd, een land of regime hoeft te koppelen. Coetzee zelf legde bijna dertig jaar na verschijning van Wachten op de barbaren in Dagboek van een slecht jaar (2007) het verband met de rol van de Amerikanen in de kwestie Irak.

De angst, het geweld, het gevecht om de macht die in Wachten op de barbaren aan de orde komen, zijn ook terug te vinden in Coetzees andere werk – en ze staan vaak in het teken van het verval van lichamelijkheid, het verliezen van de beheersing. In zijn latere boeken is het een oudere man die dit ondergaat, maar ook in zijn vroege werk worden politiek en fysieke pijn met elkaar verbonden. Zo staat in de roman IJzertijd een kankergezwel voor een collectief schuldgevoel. In In ongenade, de roman waarmee Coetzee definitief internationaal doorbrak, wordt een vrouw zwanger na verkracht te zijn – een verbeelding van het collectieve schuldgevoel van de blanke Zuid-Afrikanen na de afschaffing van de apartheid.

Hoewel Coetzee zich nooit uitlaat over de relatie tussen de verbeelding en de werkelijkheid – en als hij er al iets over loslaat dat verband geheel ontkent, overigens net als veel beschouwers van zijn werk – is het nauwelijks mogelijk om zijn werk anders te lezen dan als stevig geworteld in de politieke actualiteit. In het geval van Coetzee: een Zuid-Afrikaan die niet loskomt van zijn wortels. Ongeacht of die in de taal, het beladen verleden of het moeizame heden liggen. En daarbij kan, om het in de woorden van de jongen uit Coetzees eerste ‘autre-biografische’ deel Jongensjaren te zeggen ‘de literatuur nooit troost bieden’.

Meer informatie over het festival op: www.debalie.nl en www.literairhaarlem.nl