Tussen tact en tovenarij

Kindermoord uit partnerwraak vond al plaats in ‘Medea’ van Euripides. Ook in ‘Bakchanten’ staan de uitwassen van passie tegenover de ordelijke sleur.

Euripides: Medea. Bakchanten. Vertaald en van een nawoord voorzien door Gerard Koolschijn. Uitg. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 153 blz. € 18,95

Meteen in het begin van de klassieke tragedie Medea van Euripides voorspelt de titelheldin: ‘Want een vrouw mag dan een angstig/ wezen zijn, weerloos en zwak bij het zien/ van staal, maar als haar huwelijk geschonden wordt/ dan is geen enkel hart moordlustiger.’ Het Koor verzucht: ‘Ontzettend en ongeneeslijk, is de woede/ wanneer geliefden met elkaar in botsing komen.’ Dit zijn slechts twee passages uit het treurspel over de befaamde kindermoordenares; en zowel de lezer als de toeschouwer huivert.

Classicus Gerard Koolschijn heeft twee nieuwe, prachtige vertalingen gemaakt van Medea en Bakchanten. In tegenstelling tot eerdere vertalingen maakte hij van de koorliederen echte liedteksten met strofe, aria en recitatief. Hiermee benadrukt hij dat de Griekse tragedie het karakter van opera benadert. Deze optiek krijgt in de theaterpraktijk zelden de volle aandacht. Bij uitvoeringen van Medea en Bakchanten in het Nederlandse toneel ligt het accent op de tragedies als werkelijke drama’s, zonder muziek of lied.

Euripides (ca. 484-406) schreef ongeveer 90 tragedies, waarvan er 31 bewaard zijn. Het is een goede keuze juist deze twee tragedies in de Perpetua klassiekenreeks op te nemen. Op intrigerende manier vullen ze elkaar aan. Barbaarsheid versus beschaving vormt de verbindende lijn. Medea is een tovenares uit het ongeciviliseerde Kolchis aan de Kaukasus. Zij heeft haar man Jason met heksenkunsten geholpen het befaamde Gulden Vlies, een gouden ramsvacht, te veroveren. Het huwelijk geeft hun twee zonen. Tovenares en koningszoon, dat kan niet goed gaan. Als Jason verliefd wordt op een jonge prinses, neemt Medea wraak door zowel de aanstaande bruid als haar eigen kinderen te doden.

Medea staat te boek als wrede kindermoordenares. Rechtvaardigt jaloezie de moord op je eigen kinderen? Een moreel correct antwoord hierop dient de tragedie niet. Euripides veroorzaakt met dit angstaanjagende stuk de catharsis ofwel loutering bij de toeschouwer: hoe zou ik handelen in Medea’s plaats? Om die vraag is het de tragedieschrijver te doen. Medea is niet alleen een van de allervroegste echtscheidingsdrama’s, het is ook een volmaakt gecomponeerd toneelstuk. Het is het toonbeeld van de vooruitwijzing. Bijna elke zin uit de openingsscène stuurt aan op het bloedige slot, zoals deze zin van de Min (voedster) in de Proloog over Medea: ‘Ik ben bang dat zij iets ontzettends bedenkt./ Gevaarlijk is ze.’

Dankzij de heldere, soms iets te moderne vertaling (bijvoorbeeld een uitdrukking als ‘de start van een pijnlijk bestaan’ waar ik liever ‘begin’ lees) is deze Medea zeer leesbaar. Vooral de dialoog tussen Jason en Medea is indringend. De verwijten schieten heen en weer: zij is woedend om Jasons nieuwe minnares en Jason, gevoelig voor status, verwijt haar een barbaarse vrouw te zijn. ‘Waar is de trouw die je gezworen hebt?’ vraagt de wanhopige Medea. Jasons repliek is hard: ‘Een mens moet ergens anders kinderen/ kunnen krijgen, zonder dat er vrouwen waren/ Dan zouden de problemen uit de wereld zijn.’

Hoe feller Jason uithaalt naar Medea, hoe meer begrip de lezer voor haar wanhoopsdaad krijgt. In recente voorstellingen van de tragedie, onder meer met hoofdrollen van Ariane Schluter bij het Nationale Toneel en Malou Gorter bij het Noord Nederlands Toneel, stuurt de regie aan op compassie met Medea.

In zijn Nawoord schrijft Koolschijn dat Medea allesbehalve uniek is, een verrassende observatie: ‘In elf van de zestien tragedies (van Euripides, red.) worden kinderen door volwassenen bedreigd of daadwerkelijk vermoord.’ Kinderdoding door ouders kwam 2.400 jaar terug ook al voor. De Vlaamse schrijver Tom Lanoye maakte in 2001 voor Het Toneelhuis een bewerking die hij Mamma Medea noemde. Hierin legt hij het accent op twee vormen van liefde die aan de orde komen: de heilige passie van de jonggeliefden en de dodelijke sleur van het huwelijk. Fraai laat Lanoye zien dat Medea’s toverkracht de voorwaarde is voor liefde. Is het huwelijk officieel bezegeld, dan gaat de passie teloor. Mamma Medea is een hommage aan de wilde Medea.

In Bakchanten trekt Euripides de lijn door van een barbaarse wereld die geordend dient te worden. Het stuk werd voor het eerst in 405 opgevoerd en is gewijd aan de nieuwe godsdienst van Bakchos, ofwel Dionysus. Bakchanten, vrouwelijke natuurwezens, bereiken dankzij wijngod Dionysus roes, religieuze extase en erotische vervoering. Ze zijn losgeslagen van elke ratio. Offerandes gebracht aan Bakchos maakten onderdeel uit van de traditionele godsdienst in Athene.

Bakchos werd ook de god van het theater, bij uitstek een sensuele kunstvorm. De tegenspeler van Bakchos is koning Pentheus die met ontzetting vaststelt dat de chaos toeneemt. Vergeefs probeert hij de orde te herstellen. Jason en Pentheus vertegenwoordigen de rede; Medea en de Bakchanten symboliseren de irrationele extase. In schitterende verzen geeft Euripides de strijd weer tussen roes en rede, tussen tovenarij en tact. Bovendien bevatten beide stukken passages die als poëzie zijn, zoals deze regel uit het koorlied in Bakchanten: ‘Listig verbergen de goden de langzame stap van de tijd,/ in hun jacht op de mens die hen loochent.’

De uitzinnige Bakchanten zijn gewaarschuwd.