Tekenen wat je niet durft te zeggen

Wat bezielt een striptekenaar om zijn eigen leven tot uitgangspunt te nemen voor zijn werk? „Wij stellen grote vragen aan de orde: hoe sta ik in het leven, hoe zou ik kunnen leven en hoe zou ik moeten leven.”

‘Natuurlijk is het narcistisch om een autobiografische strip te tekenen!” Floor de Goede doet er niet moeilijk over. De 29-jarige tekenaar kijkt er vrolijk bij, vanonder zijn modieuze hoed. „Ik ben best ijdel, ja hoor. Ik kan ook over films praten, maar ik ben toch wel zelf mijn belangrijkste onderwerp.”

De Goede tekent al jaren een dagelijkse relatiestrip over het figuurtje Flo en zijn vriend Bas. Zijn zogeheten ‘daily’ verschijnt op zijn website en is deels in druk gepubliceerd.

Het autobiografisch genre floreert al ruim een decennium in Nederland, maar werd afgelopen weekend speciaal uitgelicht, als thema van de Nederlandse tentoonstelling op de Ficomic, de stripbeurs in Barcelona. Behalve van De Goede werd er werk geëxposeerd van Barbara Stok, Peter Pontiac en Gerard Leevers. Aanwezig op de beurs waren ook andere autobiotekenaars die het genre in Nederland groot maakten, zoals Maaike Hartjes, Gerrie Hondius en Michiel van der Pol.

De vorm oefent ook op nieuwe tekenaars aantrekkingskracht uit. Eind deze maand verschijnt bijvoorbeeld het autobiografische debuut van Edit Kuyvenhoven, die een behartenswaardige ‘graphic novel’ maakte over haar relatie met haar oma, die hoewel zeer beproefd in het leven, standvastig in haar geloof is.

Van de autobiografische tekenaars kiest Barbara Stok (1970) waarschijnlijk voor de meest maatschappijkritische aanpak. „Ik ben geïnteresseerd in politieke en filosofische kwesties en ik lees veel non-fictie ter inspiratie.”

Narcisme is geen drijfveer voor haar, zegt ze. „Wat Floor de Goede maakt is een soap”, zegt ze – een karakteristiek die De Goede overigens volledig omarmt. Stok: „Maaike Hartjes, Gerrie Hondius en ik maken alle drie strips die ergens over gaan. De misvatting is dat dit een genre is over triviale alledaagsheden. Maar onze strips stellen grote vragen aan de orde: hoe sta je in het leven, hoe zou je kunnen leven en hoe zou je moeten leven.”

Het is werk dat vaak verleid tot een glimlach, in het bestek van een handvol panelen. De tekenstijl is minimalistisch, met poppetjes die in niet meer dan een paar lijnen en stippen hun emoties uitdrukken – een kunst die deze vier goed beheersen.

Iemand noemde haar strippersonage Barbara een charmante neuroot, vertelt ze. Zelf ziet ze het figuurtje als „een antiheld. Iemand die van alles wil, zonder dat het lukt.” Het geeft haar strips een toon van milde ironie. „Van optimistisch relativisme”, verbetert ze.

Een belangrijk thema in haar meest recente boek, Dan maak je maar zin, is de kunst van het ongehaast leven. Haar personage gaat mediteren, ontspant in haar groententuin, bekritiseert materialisme en leest boeken van levensfilosofen als Joep Dohmen en de Dalai Lama. Stok: „Als je maar doorjaagt, kun je waarde gaan hechten aan dingen die in wezen niet belangrijk zijn. Ik doe graag niks. Daar wordt mijn werk ook beter van. Dan is er tijd voor bezinning en om ideeën tot ontwikkeling te brengen. Ik heb ook een hekel aan haasten, zet nooit de wekker. En elke middag wandel ik een uur met de hond.”

Dit tempo is deels afgedwongen. In 1995 kreeg Stok een burn-out, toen ze nog fulltime journalist en fotograaf was. Als tekenaar kreeg ze rsi. „Twee jaar heb ik gefrustreerd stil gezeten. Nu ben ik aan de pijn gewend. Ik moet wel oppassen.”

Op een van de strips kijkt haar personage naar MTV Cribs, een programma over de luxe villa’s van de zeer rijken. Het doet haar mijmeren over een ‘mooi groot huis vrijstaand in het centrum’. Stok: „Ik verzet me tegen dat soort programma’s. De televisie spiegelt ons voor dat succes en bezit de belangrijkste maatstaven van het leven zijn. Je ziet weinig mensen die zeggen: ik heb een groententuin en daar ben ik heel tevreden mee.”

Het beeld van groot en veel is verleidelijk. „Het is een foute gedachte, maar een die terugkeert. Maar als ik merk dat ik mezelf steeds moet terugroepen van de droom om groter te gaan wonen, dan weet ik: hé, daar zit een strip in.”

Voor Gerrie Hondius (1970) gaat de autobiografische strip over ervaringen en emoties. In haar vorig jaar verschenen Ik ben God „heroverweegt” ze tussen de onenightstands door haar geloof en kerkelijke jeugd. „Mijn opvoeding was niet heel streng. Gereformeerd. Als je ouder wordt ontdek je je eigen geloof. In het boek loopt dat uit op het idee dat ik zelf god ben. Dat iedereen god is. Ik kom tot de conclusie dat alles bij elkaar hoort en één is.”

Het idee dat alles elkaar beïnvloedt is al duizend jaar oud, betoogt Hondius. „Het zijn een soort wetmatigheden. Als je iemand bedriegt, word je geen blijer mens, terwijl je je een beter mens voelt als je belangeloos iets voor iemand doet.”

Zowel voor De Goede als voor Maaike Hartjes (1972) was hun strip aanvankelijk een manier om te communiceren. De Goede: „Ik ben niet goed in praten. Tekenen was mijn manier om te laten zien wat ik voelde.” Hartjes: „Ik was verlegen. Ik liet in mijn tekeningen zien wat ik niet durfde te zeggen.”

Inmiddels gaat haar werk over wat er in haar hoofd gebeurt, zegt Hartjes, die al jong begon met Maaikes dagboek. Van alles kan een aanleiding voor een strip vormen, zegt ze: een telefoontje, iets op tv, een bezoek aan de supermarkt. „Door ergens over na te denken wordt het algemener.” Ze geeft een voorbeeld: „Op de verpakking van een scharrelkip in de winkel zag ik staan dat die ‘minimaal tachtig dagen had geleefd’. Dat is kort. Hoe lang leeft een legbatterijkip dan, vraag ik me af. Dat soort overwegingen wil ik delen.”

Bij Stok leiden zulke ervaringen tot ironische commentaren. Zo geeft ze in een stripje af op de ‘wind-mee-ritten’ die in Groningen worden georganiseerd. Daarbij worden fietsers van het eindpunt van een tocht met een bus teruggebracht. Typisch voor deze tijd, stellen de personages Ricky en Barbara vast: ‘Mensen willen alleen nog naar wind in de rug.’ Zelf fietsen ze van Groningen naar Appingedam, en, omdat het zo lekker gaat, door naar Delfzijl. Maar op de terugweg kreunen ze onder wind tegen.

Ricky is de man van Barbara, ook in het echte leven. De partners van de tekenaars zijn dominant aanwezig in de strips. Flo heeft zijn Bas, Maaike Mark en Gerrie minnaars.

In de relatiestrip van Floor De Goede is zijn vriend Bas, roepnaam Poep, even goed hoofdpersoon als hijzelf. Heeft zijn vriend vetorecht bij vergaande schendingen van zijn privacy? „Ja. Nee!” Grote glimlach. „Ik laat hem geen al te stomme dingen zeggen. Vaak leg ik hem mijn woorden in zijn mond. Als ik bijvoorbeeld vind dat ik mezelf flink de waarheid moet zeggen. Dat moet nogal vaak.”

De berispingen passen ook bij het imago van zijn figuurtje Flo, de underdog. De Goede: „Maar soms moet ik het commentaar op papier zien om te beseffen hoe waar het is. Eigenlijk praat ik in de strip constant tegen mezelf. Wat dat betreft ben ik een psychisch redelijk verknipt persoon.”

En de mening van Ricky? Barbara Stok: „Hij heeft vetorecht, maar dat heeft ie nog niet gebruikt. Soms vindt hij het niet zo leuk hoe hij wordt neergezet. Maar ik maakte deze strips al toen we wat met elkaar kregen, dus hij wist waar hij aan begon. De strips over de dood van zijn broer Guus in mijn laatste boek heb ik wel eerst aan zijn moeder laten lezen. Maar die vond het gelukkig heel mooi.”

Van zaken die wringen, van pijn en liefde, wordt de strip alleen maar levendiger en beter. Maar hoe eerlijk is een autobiografische strip? Barbara Stok zegt heel open en oprecht te zijn. „Ik ontloop persoonlijke drama’s niet in mijn werk, zoals mijn gedwongen kinderloosheid, de plotse dood van mijn zwager en mijn burn-out. Toen we merkten dat we geen kinderen konden krijgen, ging ik door een diep dal. De tekeningen die ik daarover maakte, heb ik na enig twijfelen toch gepubliceerd, omdat ze zo mooi waren geworden.”

Kinderen komen nu alleen nog in haar strips voor als ze schreeuwen of verwend worden door onderdanige ouders. Ze lacht. „Ja, dat soort situaties teken ik af en toe om me af te reageren.”

De tekenaars hebben ieder ervaring met onbekende lezers die hen aanspreken alsof ze oude vrienden zijn. Hoe goed kent de lezer de maker van een autobiografische strip? „Ze kennen maar één procent van mijn leven”, zegt Stok stellig. „Pas als er iets in de soep loopt of als ik een idee heb dat afwijkt van gangbare opvattingen wordt het interessant. Met mijn ouders heb ik bijvoorbeeld een goede relatie. Die komen dus nooit voor in mijn werk.”

Bij Floor De Goede is dat geheel anders. „Mijn lezers weten veel van me. Oude stripjes zijn voor mij als fotoalbums. Dat ik denk: ‘O ja, dat is ook nog gebeurd’.”

Zijn strip is ook redelijk eerlijk, zegt De Goede. „Te heftige relatiedingen en seks teken ik niet. Ik moet de schattigheidsfactor van de strip bewaken.”

Ook Stok is voorzichtig. Een intiem, want lichamelijk stripje in Dan maak je maar zin is die over haar ‘tietjes’, als haar personage grote borsten op tv becommentarieert en zegt dat ze onzeker zou zijn als ze nu jong was. Haar man Ricky complimenteert haar vervolgens met haar verfijnde, subtiele borsten.

In de strip doet het figuurtje haar shirt omhoog, maar in het echte leven houdt Stok snel een boek voor haar lichaam als ik het stripje ter sprake breng. Terwijl ze toch echt decent gekleed is. „Normaal heb ik het niet met andere mannen over mijn borsten.”

Zelfspot en onzekerheid zijn belangrijke thema’s bij deze tekenaars. Flo is een schattig, maar ook „naar mannetje”, zegt De Goede. Hij parasiteert op zijn vriend Bas en kan eigenlijk geen minuut zonder hem. Zijn ijdelheid blijkt uit de terugkerende vraag, een running gag, of zijn haar wel goed zit. Hartjes maakte stripjes over haar gevoel „mislukt te zijn als meisje”, omdat ze kistjes droeg en weinig make-up ophad.

Volgens Stok is de autobiografische strip zelfs „bij uitstek een genre om jezelf voor lul te zetten. Ik ben niet bang om mijn negatieve kanten te belichten.”

Vrienden en familie hebben wellicht minder begrip bij een dergelijke behandeling in de strip. Maar hen van tevoren waarschuwen komt er meestal niet van. Gerrie Hondius: „Alleen toen mijn strip Nurks konijn in de Volkskrant ging verschijnen, vond ik het wel zo netjes om een vriend die er in voorkwam te waarschuwen. Verder heb je alle variaties: van mensen die zeggen ‘waag het niet’ tot zij die vragen waarom ze er nou nooit eens in voorkomen.”

Stok: „Ik praat er te weinig over met vrienden. Ik zou dat wel meer moeten doen. Een keer tekende ik een gesprek met een op zichzelf aardige jongen waarbij je mij ziet denken: hoe kom ik van hem af!? Ik dacht hem gemaskeerd te hebben opgevoerd, maar hij herkende zich toch en was toen boos.”

Vooralsnog zien de tekenaars geen reden om uit een andere bron dan hun eigen leven te gaan putten. Maaike Hartjes wil graag boeken maken van haar reizen en ontmoetingen met andere culturen, waarin ze foto’s en tekeningen combineert.

In 2008 verscheen er al een boek over Hong Kong en in juni moet Donker verschijnen, het dagboek van een reis naar Zuid-Afrika. Japan moet volgen. Hartjes: „Op bezoek bij een vriendin in Japan zagen we dat Japanners drankjes op een graf zetten voor de overledenen. Daar maakte ik een foto van, en ik tekende er een spookje met een kopje thee bij. Het blikje bier op het graf was open gemaakt, want de doden kunnen wel drinken, zei mijn vriendin, maar geen blikjes openen.”

Dat maakt persoonlijke ervaringen interessant, zegt Hartjes. „Als je afstand kan houden en kijkt met fantasie en humor, en aandacht voor details. Wie dat kan, heeft ook veel te vertellen.”

Daily ‘Flo’ op doyouknowflo.nl.Floor de Goede: ‘Flo’ (3 delen). Uitgeverij Catullus, € 9,95. Barbara Stok: ‘Dan maak je maar zin’. Nijgh en Ditmar, 2009. € 14,95. En: ‘Was iedereen maar zoals ik’, Rainbow, 2010, € 6,95. Gerrie Hondius: ‘Ik ben God’. Uitg. Contact, 2009, € 17,95. Maaike Hartjes: ‘Hartenjagen’. Oog&Blik, 2009, € 9,95.