Nog altijd de oorlog van Lou de Jong

Herinneren we ons, als collectief, één Tweede Wereldoorlog, met vijf dezelfde bezettingsjaren?

Nee natuurlijk. Alleen al een klein miljoen landgenoten dat het ergste heeft overleefd, denkt met z’n individuele ervaringen aan een volstrekt andere oorlog terug dan de grote meerderheid van wie de relatie met de bezetters nauwelijks confronterend was. ‘Hoewel de Tweede Wereldoorlog in tijd steeds verder van ons af komt te liggen’, schrijft Madelon de Keizer niettemin in de inleiding tot een boek dat typisch voor de gelegenheid van 65 jaar na 1945 werd vervaardigd, ‘blijft dat verleden nog steeds gevoelig – ook voor wie na ’45 geboren is en niets of niemendal met de oorlog te maken heeft gehad. In dit boek willen we laten zien waaruit dat blijkt en waarom het verleden van 1940-1945 voor de Nederlandse samenleving een open zenuw is’.

Boud gesproken.

Een open zenuw lijkt in opzet het meest op een encyclopedische opsomming van lieux de mémoire die betrekking hebben op genoemd verleden, Om de 48 materiële en meer overdrachtelijke plekken (Do ist der Bahnhof van Van Kooten en De Bie is een mooi voorbeeld) op een zinnige manier onder één noemer te brengen had De Keizer, die samen met Marije Plomp de redactie voerde, een oorlogsbeeld nodig dat voor een zo groot mogelijke hoeveelheid landgenoten onmiddellijk herkenbaar was.

Maar daar zit meteen ook de tegenstrijdigheid. Welke oorlog van 65 jaar geleden is voor iemand uit de samenleving van 2010 een open zenuw? Omdat De Keizer in haar inleiding het verleden van 1940-1945 als een vaste waarde blijft beschouwen, maar toegeeft dat het verleden telkens weer ‘met andere ogen wordt gezien’, wordt haar betoog er niet helderder op. ‘Dat wil niet zeggen’, houdt ze een slag om de arm, ‘dat men met het verstrijken van de tijd noodzakelijkerwijs wat afstandelijker of minder emotioneel tegenover wat voorbij is zou komen te staan’.

Zo raakt de schrijfster die we kennen van zinnige monografieën over Putten en Het Parool, allengs verstrikt in filosofietjes en speculaties over heden, verleden, tijd en herinnering, en sticht ze met haar inleiding alleen maar verwarring over de precieze bedoeling van haar boek.

Met welke opdracht ze haar talloze medewerkers aan het schrijven heeft gezet, wordt niet gespecificeerd maar vast staat dat zij 1989 als een nogal beslissend kantelpunt ziet in onze herinnering aan en onze daarna ontwikkelde opvatting over WO II. ‘Nagegaan wordt’, schrijft ze, ‘wat 1989 gedaan heeft met de herinneringscultuur van de Tweede Wereldoorlog’. Dát de val van de Berlijnse Muur van zo’n grote invloed is geweest op ons geschiedbeeld van ’40-’45 wordt overigens nergens onderbouwd, en in de afzonderlijke hoofdstukjes zie je verwijzingen amper terugkomen.

Het bezwaar van de lemma’s is vooral dat ze zelden méér dan lemma’s worden: heel descriptief, nooit analyserend, altijd erg op de vlakte. De auteur van de Februaristaking onthoudt zich angstvallig van de vele discussies over de rol van de CPN. Het hoofdstuk Bronbeek is een lofzang op het KNIL, zonder een half woordje kritiek, In ‘De burgemeester in oorlogstijd’ (en het probleem van de collaboratie) wordt risicoloos in- en uitgepraat, zonder dat wordt ingegaan op een figuur als de ‘bevolkingsambtenaar’ Jacob Lentz die – nooit sympathie voor de NSB gehad – uit louter liefde voor z’n vak de J op joodse persoonsbewijzen bedacht en op andere manieren de Duitse opsporingsdiensten behulpzaam was.

Alle lemma’s lijken op zoek te zijn geweest naar een ‘model-WO II’ die waarmaakt wat De Keizer over de ‘open zenuw’ ten beste heeft gebracht – en waar anders kom je dan uit dan bij de oorlog die in de jaren vijftig werd (her)beleefd: de oorlog van Lou de Jong? Typerend is de keuze voor de film De Overval (1962) als voorbeeld van een audiovisueel lieu de mémoire. Na wat geschuif met makers werd de regie gegund aan de gerenommeerde Engelse documentarist Paul Rotha, die naar de wensen van de Nederlandse producent een ambachtelijk vlekkeloze heldenthriller uit oorlogsdagen afleverde; zoals het publiek z’n verzet graag terugzag. In dezelfde periode kwamen in Nederland drie ‘demythologiserende’ oorlogsfilms uit die alleen al om die reden honderdmaal interessanter waren voor een gekanteld herinneringsbeeld: Als twee druppels water (Fons Rademakers, 1963), De minder gelukkige terugkeer van Joszef Katus naar het Land van Rembrandt (Wim Verstappen, 1966) en Pastorale 1943 (Verstappen, 1978). Maar die raakten blijkbaar geen open zenuw. De scenarioschrijver van De Overval? Lou de Jong.

Madelon de Keizer en Marije Plomp (red.): Een open zenuw. Bert Bakker, 558 blz. €34,95