Nachtegaal en blauwborst

Hoelang had ik de nachtegaal al niet gehoord? En hoelang de blauwborst al niet gezien?

In de vogelgids staan ze vlak bij elkaar, maar in het veld is het meestal of de één of de ander. Nu was er een kennis van een kennis, die had ze alletwee in zijn terrein. Adri Remeeus, een 57-jarige Hagenaar. Dus weer eens ouderwets vroeg uit de veren – om vijf uur weg uit Arnhem, om halfzeven aankomst op Meijendel.

Het was zo’n ijzige meimorgen. Maar we waren de auto nog niet uit of daar zong hij al. Jubelende uithalen onderbroken door korte momenten van contemplatie. Een nachtegaal klinkt altijd als een persiflage op een nachtegaal. En deze zang zou ons die hele morgen vergezellen, net of je van de ene nachtegaal werd doorgegeven aan de volgende.

Zo kwamen we in de laatste laagte voor de zeereep. Een pluk duindoornstruweel bij een kleine waterpartij. Hier moest-ie zitten. Drie kwartier hebben we daar staan kleumen, en het was vooral de wind die Adri zorgen baarde. Noord, krachtig.

Heggemus, grasmus, fitis – en ook hier zong de nachtegaal. Eigenaardig hoe gewoon dat alweer werd. Niets went zo gauw als luxe.

En de blauwborst? Geen blauwborst! Maar toen de zon even doorbrak, liet hij zich in ieder geval horen. En toen de zon nog een keer doorbrak, liet hij zijn liedje gepaard gaan met een korte baltsvlucht. Ja, dat was ’m, maar kon je nou zeggen dat je hem gezien had? Opmerkelijk, de nachtegaal wil je horen (hoewel hij ook best een mooie, roestrode staart heeft), de blauwborst wil je zien (hoewel hij ook best een leuk zangetje heeft).

„Ik ken ze vooral uit de Oostvaardersplassen”, zei ik, „en daar waren ze altijd zo zichtbaar als ik weet niet wat.”

„Maar daar”, zei Adri, „zitten ze in veel grotere dichtheden.” Hij bedoelde: dan moeten ze veel meer adverteren.

Toen brak voor de derde keer de zon door. De blauwborst posteerde zich op een uitloper bóven het struweel en zong minutenlang dat het een lust was. De witte vlek blonk als een medaille op zijn blauwe borst.

„Zo”, zei ik, en Adri bekende dat hij een zucht van verlichting had geslaakt. Hij vertelde dat de blauwborst hier aan het eind van de jaren 80 was opgedoken. Sindsdien elk jaar een tiental territoriale mannetjes, altijd op dezelfde plekken. Je wint wat, je verliest wat – de tapuit bij voorbeeld; die vindt hier de zanderige veldjes niet meer om op rond te rennen, en de konijnenholen niet meer om in te broeden.

Intussen leidde hij me langs een keten van bekoorlijke duinmeertjes. Voor een stelletje geoorde futen bleven we natuurlijk even staan. (Wat zei Peter Vos ook weer over dat oog? Wacht, dan zoek ik dat op. O ja, Peter vond dat oog te veel van het goede. „Als ik de Schepper was, had ik dat maar weggelaten”, zei hij. Voorjaar 1986.)

Geoorde fuut dus met zijn wonderbaarlijke rode oog, en naderhand ook nog een stelletje krooneenden – krooneend met zijn clowneske rode snavel.