Medeleven en privacy

De vliegramp met de Airbus 330 bij Tripoli is een van de grootste in de geschiedenis van Nederland. Het medeleven met de nabestaanden van de zeventig Nederlanders, die in Libië zijn omgekomen, is daarom navenant groot.

Medeleven blijft geboden. De familieleden en vrienden van de slachtoffers zullen nog lang in onzekerheid verkeren: over de identiteit van hun naasten en ook over de oorzaken van het ongeluk. De ‘zwarte doos’ is gevonden. Maar het vliegtuig is dermate verwoest en de plek des onheils nu zo intensief betreden, niet alleen door hulpverleners maar ook door journalisten, dat er wellicht ook sporen zijn gewist.

Minister Verhagen (Buitenlandse Zaken) twijfelt toch niet aan het onderzoek dat de autoriteiten in Tripoli verrichten. Verstandig. Er zijn geen feiten en bij politisering van de ramp heeft niemand belang, hoe makkelijk dat zou kunnen gelet op het prestige van de Libische leider Gaddafi.

Behoedzaamheid in Libië is geboden. Behoedzaamheid kan ook geen kwaad in Nederland, waar media én politieke partijen verhoudingen uit het oog zijn verloren.

Er wordt wel gezegd dat de pers zich moet concentreren op duiding, omdat al het nieuws dankzij internet al bekend is. Als dat waar is, dan gold dat niet voor de ramp in Tripoli. Alle audiovisuele snippers werden eindeloos herhaald.

Sommige massamedia hebben ook informele grenzen, zoals een basaal respect voor privacy, overschreden. Nabestaanden zijn thuis lastiggevallen. Dagboekaantekeningen zijn verspreid. Persoonlijke pagina’s op sociale internetwerken, zoals Hyves en Facebook, zijn gekopieerd en verder gedistribueerd. En in hun jacht op het jongetje, dat als enige inzittende de ramp heeft overleefd, hebben enkele media ook alle resterende terughoudendheid laten varen. De negenjarige moest en zou met naam en toenaam in beeld komen en worden ondervraagd.

Het verzoek van staatssecretaris Bijleveld (Binnenlandse Zaken) om meer respect in acht te nemen, was aan veel dovemansoren gericht. Hopelijk zijn dezelfde media er straks niet als de kippen bij om de overheid te verwijten dat ze te weinig heeft gedaan aan de psychische nazorg.

Omgekeerd etaleerden de politieke partijen juist te veel behoedzaamheid met hun besluit de campagnes twee dagen te staken. Het is niet de eerste keer. In 1977 gebeurde dat na de Molukse gijzelingsacties in Drenthe. In 2002 stopten ze subiet na de moord op Pim Fortuyn. Het lijkt logisch. Onderlinge politieke strijd is ondergeschikt aan nationaal onheil.

Maar het is niet zo vanzelfsprekend. De beslissing om geen politiek meer te bedrijven, wekt de indruk dat de partijen de verkiezingen en dus de campagnes zien als een feest dat geen doorgang mag vinden als er geen reden is voor een partijtje.

Verkiezingen zijn echter geen feestje. Ze zijn een serieuze maatschappelijke aangelegenheid. Het is daarom goed dat de campagnes nu weer verder gaan. Met de serieuze toon die zowel past bij de aard van de verkiezingen zelf als bij de schok die Nederland woensdag heeft getroffen.