Knutselen aan democratie helpt niet

Terwijl de Britten twijfelen over hun districtenstelsel, lonken de Nederlanders er juist naar.

Een stembureau in Itchen Stoke Green in de buurt van Winchester, bij de verkiezingen van 6 mei, waar ongeveer 150 mensen hun stem konden uitbrengen. Foto AFP The Presiding Officer sits in the awning of a caravan converted into a polling station at Itchen Stoke Green near Winchester on May 6, 2010. The polling station was registered to receive around 150 voters from the surrounding area. Britain voted on May 6 in the closest general election for decades with opinion polls showing the opposition Conservatives winning most seats but not enough to form a government alone. AFP PHOTO / Adrian Dennis AFP

Groot-Brittannië heeft sinds deze week een vice-premier met één belangrijke taak: hervorming van het kiesstelsel. Het is een van vele ‘revoluties’ die de Britse democratie de afgelopen dagen in ijltempo onderging. Op Britse wijze – stoïcijns en met een kwinkslag – schakelde het land van een éénpartij regering naar een coalitiekabinet. Maar dat is pas het begin van de Britse omwenteling – tenminste als het aan vice-premier Nick Clegg ligt.

De leider van de Liberaal-Democraten krijgt een taak met een laag sexappeal, maar een hoog explosief gehalte. Hij mag de Britten in een referendum vragen zich uit te spreken over wijzigingen in een staatsrechtelijk bouwwerk dat eeuwenlang goede diensten heeft bewezen en in grote delen van de wereld is gekopieerd. Clegg sleutelt niet alleen aan Brits erfgoed maar ook aan de machtsbasis van 646 parlementariërs, waarvan hij het leeuwendeel niet tot zijn vriendenkring mag rekenen. Een nieuw ontwerp voor de Union Jack lijkt eenvoudiger.

Clegg wil een kiesstelsel aanpassen waarmee Nederlandse politici al decennia flirten. Terwijl hij dit voorjaar in Groot-Brittannië campagne voor wijziging van het districtenstelsel, hielden oud-CDA-voorziter Marnix van Rij en voormalig VVD-minister Hans Hoogervorst juist pleidooien voor een vorm van districtenstelsel in Nederland.

„De achtergrond van de discussie is in beide landen hetzelfde”, zegt politicoloog Kees Aarts van de Universiteit Twente. „Er is geen hechte band meer tussen de traditionele partijen en de kiezer.” In Groot-Brittannië vertaalde zich dat in afbrokkelende steun voor Conservatieven en Labour. Het Nederlandse debat leefde op nadat de gemeenteraadsverkiezingen hadden aangetoond dat het electoraat verder versplintert. „Met wijziging van het kiesstelsel wil men de uitvoerende macht een duidelijker regeringsmandaat geven.”

Maar of je zo de problemen van een moderne democratie kunt oplossen, is, zegt Aarts, maar zeer de vraag. Wetenschappelijk onderzoek is niet eenduidig. „Ervaringen zijn gebonden aan de specifieke omstandigheden van een land, en het is moeilijk in te schatten wat er gebeurt als je wijzigingen doorvoert in de praktijk. We spreken wel van electoral engineering, maar het is toch meer knutselen.”

In de debatten botsen twee oervormen van parlementaire democratie op elkaar, het districtenstelsel en de evenredige vertegenwoordiging. In het districtenstelsel, waarbij parlementariërs sterk zijn verankerd in de lokale gemeenschap, bestaat een regering doorgaans uit één partij. Op papier levert dat daadkrachtige regeringen op, sterke binding tussen kiezer en politici én een strijdbare politieke cultuur. Maar kleine partijen hebben het zwaar en stemmen op de verliezer gaan verloren. Clegg kreeg 57 zetels voor 23 procent van de stemmen. Zijn nieuwe baas David Cameron kreeg 306 zetels voor 36,1 procent.

In het ‘Nederlandse’ stelsel van evenredige vertegenwoordiging, waarbij stemmen direct vertaald worden in parlementszetels, ligt de nadruk op een zo zuiver mogelijke afspiegeling van het politieke landschap. Er gaan geen stemmen verloren, minderheden hebben eenvoudig toegang tot het parlement. Maar coalitievorming is moeizaam en de kiezer heeft geen eigen man in het ‘verre’ Den Haag.

Om de nadelen van de systemen te verzachten wordt sinds 1945 geëxperimenteerd met mengvormen. „De afgelopen decennia groeit de interesse in gemengde systemen”, zegt Paul Guerin, hoofd van de afdeling kiesstelsels bij IDEA, een adviesbureau voor staatsinrichting, gevestigd in Stockholm, dat vooral jonge democratieën als klant heeft. „Mensen krijgen meer oog voor geavanceerde kiesstelsels die ruimte laten voor nuances.”

De twee oervormen kenden hun eigen zegetocht over de wereld. Het Gemene Best nam het Britse stelsel, Latijns-Amerika en Frans Afrika omarmden vormen van evenredige vertegenwoordiging. Nederland schafte het districtenstelsel in 1917 af. Na de catastrofe van het nazisme koos de jonge Duitse staat in 1948 als een van de eerste voor een combinatie van districtenstelsel en evenredige vertegenwoordiging. De nieuwe Duitse democratie werd beveiligd met een kiesdrempel van 5 procent en een deel van de Bondsdagafgevaardigden wordt via een districtensysteem gekozen. Begin jaren negentig ruilde Nieuw-Zeeland de Britse variant in tegen de Duitse.

Clegg’s referendum zal gaan over een bescheiden aanpassing van het districtenstelsel. Door burgers de mogelijkheid te geven een rangorde aan te geven – een kandidaat van eerste, tweede, of derde voorkeur – gaan stemmen niet verloren, wordt het stelsel minder unfair en blijven de districten, die in Groot-Brittannië al sinds de Middeleeuwen bestaan, onaangetast. Met dit stelsel zou Groot-Brittannië het systeem van voormalige kolonie Australië overnemen.

Het is allerminst zeker dat Clegg zo’n referendum wint, zegt Guerin. „De grote partijen willen de veranderingen eigenlijk niet en het zou goed kunnen dat ook het publiek een oude gewoonte niet zomaar overboord wil zetten. ” Maar ook als de Britten vorige week al een nieuw stelsel hadden gehad, had Clegg maar 22 zetels meer gekregen, berekende men in Stockholm.

En, zegt Aarts, er is geen bewijs dat stelselwijzigingen democratieën veerkrachtiger maken. In Nieuw-Zeeland leverde de stelselwijziging geen problemen op, maar de opkomst steeg niet. Ook over Nederlandse stelselwijzigingen is hij sceptisch. „Ik onderschrijf de stelling dat Nederland onbestuurbaar dreigt te worden, maar de vraag is of het districtenstelsel daar iets aan kan veranderen. Het is eerder een hoop dan een reële verwachting.”