Jij, ik en ons kind

Driss Tafersiti kwam als jonge Marokkaanse gastarbeider naar Nederland. Hij bleef. Wekelijks feuilleton

Mijn Simca stond in de garage. De versnellingsbak was versleten en moest vernieuwd worden. Ik had de bus kunnen nemen, maar Kemal stond er op om mij met zijn bakkersbusje een lift te geven naar mijn werk. We zagen elkaar steeds minder en dit was een mogelijkheid om bij te praten. Toen Kemal mij in de ochtend kwam ophalen, zag ik dat Mustapha naast hem zat. „Goedemorgen, meester Tafersiti”, zei Mustapha toen ik het busje binnenstapte. „Ik was vergeten hoe lelijk je kan zijn in de ochtend.”

Kemal was nog niet weggereden of Mustapha had er na deze eerste belediging nog drie op mij afgevuurd. Even had ik het gevoel dat we weer op weg waren naar de haven. Toen begonnen we de dag ook altijd met de grofste opmerkingen tegen elkaar. Vroeger had ik direct en scherp gereageerd op Mustapha’s opmerkingen. Maar ik genoot dit keer te veel van het moment om iets terug te zeggen. Het deed me goed om Mustapha weer in zijn oude staat te zien. Zijn huwelijk met Khadija en zijn nieuwe baan als kantinemedewerker bij de Hoogovens hadden hem van de drank en de somberheid af geholpen.

„Gelukkig, we zijn er”, zei Mustapha toen we voor de Van Eldenschool stopten. „Krijg ik eindelijk wat ruimte in deze auto. Driss, heb je gezien hoe dik die Turk is geworden? Hoe meer hij verkoopt, hoe meer hij eet.” Ik nam afscheid van ze en opende de school. De rit had mij een warme nostalgische bui bezorgd waar ik de rest van de ochtend van genoot. In de middag dreigde de bui te verflauwen. Om een nieuwe lading van dit gevoel binnen te krijgen, besloot ik weer eens de laatste cassettebrief van mijn ouders op te zetten.

Ik was zeven jaar geleden voor het laatst in Marokko geweest. Het schuldgevoel hierover werd met de tijd groter. Mijn moeder leek dit aan te voelen: „Mijn Driss, ik had je hier graag naast me gehad, maar ik begrijp wel waarom ik je niet zie. Jij bent hard aan het werk in dat Nederland.”

Maar dat ik zo ver weg was en lange tijd niet was terug geweest, betekende niet dat mijn moeder zich minder met mij bezighield. Ze bad dagelijks voor me en was vol lof over mij tegen haar vriendinnen. Laatst had ze zelfs een hen geofferd bij onze plaatselijke heilige, Sidi Aït-Oualou. Ze hoopte dat de geest van Sidi Aït-Oualou mij een zoon zou schenken, zoals hij mijn broer Moha een zoontje had geschonken. Bij het noemen van de naam van mijn broer fluisterde ze in een bijzin: „Moge God jullie verzoenen, mijn lieve zonen.”

Nadat Mustapha was teruggekeerd van zijn laatste vakantie, praatte hij mij bij over Moha. Het was vreemd: via een gigantische omweg van drieduizend kilometer heen en terug werd ik op de hoogte gehouden van mijn broer die in Amsterdam woonde. Mustapha had in Aït-Aman vernomen dat Moha was getrouwd en een zoontje had gekregen. Moha had een klein huisje gebouwd in Aït-Aman waarin zijn gezin woonde. Ik probeerde mij Moha als echtgenoot en vader voor te stellen. Had deze verandering in zijn leven hem milder gemaakt?

Ik was nog vol van Moha en Marokko toen ik om vier uur mijn dag afsloot. Zoals afgesproken wachtte Jolanda mij buiten op in de Simca die ze bij de garage had opgehaald. Ze stapte uit en liep me tegemoet. „Ik moet je wat vertellen, Driss”, zei Jolanda en glimlachte geheimzinnig. „Nee, ik eerst”, zei ik. „Wat zou je er van vinden om een keer op vakantie te gaan naar Marokko?” „Dat lijkt me geweldig, maar dan wel met z’n drieën.” „Wie gaat er dan nog meer mee?”

„Jij, ik en ons kind.”