In de marge van de marge

‘Fictieve genres’ is de ondertitel van het nieuwe boek van Jacq Vogelaar. Je raakt er volledig in verdwaald vanwege ‘Meneren’. En laat dat nou net een genre zijn dat het verdient apart te worden benoemd. Begrijpt u het?

Jacq Vogelaar: Je zit niet alleen in je vel. Fictieve genres. Querido. 337 blz. €19,95

Je zit niet alleen in je vel, de nieuwe essaybundel van Jacq Vogelaar, is een boek om in te verdwalen. Op het eerste gezicht lijkt er niets aan de hand, want er zijn – heel overzichtelijk – drie hoofdstukken en volgens de ondertitel gaat het over één onderwerp: ‘fictieve genres’. Het eerste hoofdstuk behandelt een genre dat Vogelaar ‘Meneer’ heeft gedoopt, het derde hoofdstuk gaat over de miniatuurroman, en in hoofdstuk twee komt een minder makkelijk te identificeren genre aan bod, dat terloops de ‘kelderroman’ wordt genoemd.

Maar dan ga je het boek lezen en alle overzichtelijkheid verdampt. In plaats van een helder betoog, komt er een wirwar van teksten, noten, excursies, appendices, citaten, een coda en diverse proeven van eigen literair kunnen op je af. In twee van de drie hoofdstukken staan op de linker- en de rechterpagina ook nog eens afzonderlijke doorlopende teksten afgedrukt. Wie alles tegelijkertijd probeert te volgen raakt onherroepelijk de draad kwijt.

Dat is natuurlijk geen toeval. Vogelaar is geen geboren chaoot, maar iemand die koste wat kost wil voorkomen dat zijn boek tot een paar simpele formules kan worden gereduceerd. Hij heeft het bewust zo geschreven, dat samenvatten vrijwel ondoenlijk wordt. Wie te veel op de overeenkomsten let (iets wat bij de bepaling van een genre toch nauwelijks te vermijden is) krijgt te horen: ‘Zoek liever de verschillen’.

Vogelaar houdt zich aan zijn eigen advies, met als paradoxaal gevolg dat een voornamelijk aan ‘kort proza’ gewijd boek verandert in een almaar uitdijend barok geheel. Geen wonder dat Vogelaar de punt ergens misprijzend een ‘stopbord’ noemt. Hier is iemand aan het woord die van geen ophouden weet.

Vogelaar spreekt in de ondertitel van ‘fictieve genres’. De fictie, met andere woorden, staat voorop, maar ‘fictief’ zijn deze genres ook omdat hun afbakening niet op harde feiten berust; het gaat eerder om ‘hypothetische’ constructies. Je kunt het altijd ook anders bezien, luidt de impliciete boodschap. En vergeet vooral de uitzonderingen niet!

Toch heeft Vogelaar met zijn ‘Meneren’ beslist een genre te pakken, dat het verdient apart te worden benoemd. Met de twee ‘stamvaders’, Paul Valéry (Monsieur Teste) en Henri Michaux (Plume), is duidelijk in welke richting we het moeten zoeken en ook de definitie ‘filosofische groteske’ helpt. Bovendien komt Vogelaar met een ruime ‘staalkaart’ van literaire familieleden, waarin alleen zijn eigen creatie ‘Taats’ ontbreekt – maar hém zien we elders in het boek op eigen kracht in actie.

Iets minder overtuigend pakt het hoofdstuk over de miniatuurroman of ‘pilroman’ uit. Aan Vogelaars definitie ligt het niet: ‘een samenvatting die genoeg aanknopingspunten biedt en tegelijk veel openlaat, kortweg een roman in het klein’. Een mooie reminder is ook: ‘In een ultrakorte roman lopen geen dwergen rond’. Maar wanneer vervolgens Musils eindeloze roman Der Mann ohne Eigenschaften als een van de voorbeelden wordt opgevoerd (‘enigszins provocerend’, moet Vogelaar zelf toegeven), dan lijkt het hele genre ook weer in rook op te gaan.

In het middelste hoofdstuk, getiteld ‘Voor eigen rekening’, is van een welomschreven genre eigenlijk geen sprake. Het hoofdstuk is meer een alle kanten opspringende verkenning van teksten, waarin schrijvers of personages literair worstelen met de last van het zelfbewustzijn en daarvoor als metafoor de kelder of het onderaardse hol opzoeken. Vogelaar gaat uitvoerig in op Dostojevski’s Aantekeningen uit het ondergrondse en Kafka’s korte verhaal ‘Het hol’. Bij wijze van contrast krijgt Rousseau ervan langs. Diens Confessions worden zelfs afgedaan als ‘pure kitsch’ en Vogelaar schrijft niet te begrijpen ‘hoe deze man zo populair heeft kunnen worden’. Misschien moet hij zich toch eens in de geschiedenis van de 18de eeuw verdiepen, en in Rousseaus niet-autobiografische oeuvre.

Zijn bezwaren hebben nu iets potsierlijks: Rousseau ontbeert ‘zelfspot’ en ‘relativering’, alsof zoiets verplicht zou zijn; en dat het bij hem ‘op leven en dood’ gaat, wordt nota bene als een verwijt naar voren gebracht. Maar vooral vindt Vogelaar Rousseaus proza niet deugen omdat het – anders dan dat van Kafka of Dostojevski – niet literair genoeg is, dat wil zeggen niet voldoende blijk geeft van een bewust gebruik van literaire middelen. Hoe verliteratuurd kun je zijn!

Dit krasse staaltje tunnelvisie zegt intussen wel het nodige over Vogelaar zelf en over de inzet van zijn boek. Die inzet heeft namelijk alles met literatuur te maken. Een literatuur die tegenwoordig ‘in haar geheel marginaal’ is geworden, aldus Vogelaar naar aanleiding van een verre Duitse vriend (Helmut Heissenbüttel) die ook binnen de literatuur in de marge blijkt te verkeren. Maar kun je hetzelfde niet van Vogelaar beweren? De vraag wat het betekent om ‘in de marge van de marge’ te opereren houdt hem niet voor niets ‘al heel lang bezig’, zoals hij zelf met gevoel voor understatement opmerkt.

Dit boek laat zien hoezeer Vogelaar van die positie zijn kracht heeft gemaakt. De marge is tenslotte ook de plek voor de ‘voetnoten (bijgedachten, opmerkingen terzijde, commentaar en glossen)’ die bij hem zo royaal vrij spel krijgen. De ‘Meneren’ worden aangeduid als ‘randfiguren’ en de teksten waarin ze voorkomen, evenals zijn eigen boek, typeert Vogelaar veelzeggend als ‘robinsonades’. De schrijver daarvan is iemand die ‘op een eiland of in een besloten ruimte met overblijfselen van de grote wereld een kleine wereld voor zichzelf inricht’. En dan wordt duidelijk wat de drie ‘fictieve genres’ met elkaar verbindt. Het zijn alle drie middelen die Vogelaar gebruikt om te demonstreren wat literatuur voor hem betekent.

Literatuur betekent heel veel, zo niet alles voor hem – iets wat mij weer verzoent met zijn unfaire behandeling van Rousseau. Liefde maakt soms blind en aan Vogelaars liefde voor literatuur, tegen alle hoofdstromingen in, kan onmogelijk getwijfeld worden. Daarbij gaat het uiteraard om teksten, om lezen en schrijven, maar het gaat ook om literatuur als een ‘manier van leven’. Vandaar dat zij nooit mag verstarren, bijvoorbeeld doordat zij aan al te strenge wetenschappelijke genre-indelingen wordt vastgenageld – je moet erin kunnen blijven ademen. Precies dat is wat Vogelaar in dit boek doet of liever: voordoet, met even aanstekelijk als onweerstaanbaar elan.

Naar aanleiding van een van zijn literaire helden (Danilo Kiš) heeft hij het over ‘de stam der gedrevenen’, dat wil zeggen: ‘schrijvers bezeten door en bezeten van wat ze schrijven’. Als Vogelaar iets duidelijk maakt in Je zit niet alleen in je vel, dan is het wel dat hij met huid en haar tot deze stam behoort.