Het onbedaarlijke medeleven

Het 12 uur Journaal van woensdag 12 mei 2010 duurde onafgebroken zes uur. Toen het was afgelopen, begon het na een uurtje opnieuw, geflankeerd door vijf actualiteitenrubrieken die tot middernacht het ‘nieuws’ probeerden te ‘verdiepen’. Toen de berichtgeving na een half etmaal min of meer gestaakt werd, had ik zeventien keer de korte verklaring herhaald gezien die premier Balkenende ’s ochtends rond elven had afgelegd als teken van medeleven met de nabestaanden van de vermoedelijk (toen nog) 61 Nederlanders die waren omgekomen bij de vliegtuigramp in Tripoli. De plek van het ongeluk – een ‘filmlus’ van omstreeks 40 seconden die continu werd afgedraaid – was toen vijfenzeventig keer vertoond. Na twaalf uur marathonuitzending werd hij nóg eens in beeld gebracht voor wie iets later had ingeschakeld. Veel uitgezwermde jonge NOS-verslaggevers waren toen al vaker op televisie geweest dan een tweemaal zo oude collega gedurende z’n hele carrière. Ze hadden alleen telkens hetzelfde gezegd.

Op het moment dat het eigenlijk al Hemelvaartsdag was geworden, wist ik nog steeds niet of de enige overlevende van het onheil – een kind met infuuspleistertjes op z’n handruggetjes – acht of tien, jongetje of meisje, Nederlander of vreemdeling was, en hoe hij of zij precies heette. Maar je voelde al dat hij internationaal de ster van de ramp zou worden: verdrietige held en dappere wees.

Hoe moet je de uitbarsting van journalistieke aandacht verklaren? Als je was uitgegaan van proportionele informatiedichtheid, je had elke herhaling geschrapt, en uit ieder afzonderlijk bericht de resten verwijderd van wat al was meegedeeld, had je van het bruto halve etmaal een keurig en betrouwbaar netto nieuwsbulletin van een kwartier overgehouden. ‘Voor wie later had ingeschakeld’ had men die vijftien minuten nog een poosje telkens kunnen herhalen – en die frequentie hadden we dan langzaam maar zeker kunnen afbouwen.

Maar de drift om alles achtermekaar voor de elfde keer op de zender te gooien nadat we het al tien keer eerder hadden laten zien!

Zou er, hetzij gevoelsmatig, hetzij per protocol, een zekere evenredigheid in acht zijn genomen met het aantal slachtoffers? Nederlandse media hebben altijd een warm nationaal gevoel uitgestraald. Als er een overstroming in Bangladesh is, vraagt de Journaalverslaggeefster aan de Nederlandse consul ter plekke eerst of er ook Nederlanders nat zijn geworden. En natuurlijk lokken zeventig doden intuïtief meer schrik, meer rouw, meer maatschappelijke reactie en meer zendtijd uit dan tien. Als het er (wat god heeft verhoed) honderdzeventig waren geweest, waren de verkiezingen van 9 juni misschien ook zélf nog opgeschort. Je denkt weleens: niets kunnen we meer zonder een ritueel, al is het maar een loze knuffel.

Nieuws moet volgens mij in de krant, op de radio of op televisie zodra het rond is. Of laten we zeggen voorlopig rond: later kan altijd nog blijken dat Balkenende gelogen heeft over ons aandeel aan Irak. Maar ik ben als lezer, luisteraar of kijker toch niet geïnteresseerd in de wanhopige manier waarop een journalist zijn nieuws bij mekaar probeert te schoffelen?

„Kunt u al iets zeggen over de oorzaak?”

„He, mevrouw, meneer, stel toch niet zulke domme vragen. ’t Is net gebeurd. U heeft Pieter van Vollenhoven toch nog niet langs zien komen?”

En liever vooral niet aanbellen en de voet tussen de deur bij ouders van dode kinderen of bij kinderen van dode ouders, en proberen een foto uit de lijst op de schoorsteenmantel te stelen om voor een proefuitzending van WNL of Powned te gebruiken. Wij warmen ons aan uw overweldigende belangstelling, en we zouden niet weten wat we zonder uw maatschappelijke betrokkenheid moesten beginnen.

Maar echt ‘nieuws’ is er niet, en alle ‘verdieping’ is geleuter voor de opiniepagina. Dus laat ons aan onszelf. En blijf met uw ranzige emoties van Ruben af.