Het laissez-faire van meester Lao

De Daodedjing, de Chinese verzameling aforismen die vermoedelijk teruggaat tot de derde eeuw voor Christus, is onverminderd populair, getuige twee nieuwe vertalingen. Wat voegen die toe?

Lao Zi. Het boek van de Tao en de innerlijke kracht. Vertaald door Kristofer Schipper. Augustus, 240 blz. € 24,95

Laozi: Daodejing. Het boek van de weg en de kracht. Vertaald door Bartho Kriek. Atlas, 120 blz. € 15,-

Geen werk uit de Chinese literatuur is zo duurzaam populair gebleken als de aan Laozi (Lao Tze) toegeschreven Daodejing, ofwel ‘het Boek van de weg en de deugd’. Wegens zijn bondigheid wordt het in het Chinees ook wel ‘boek van vijfduizend karakters’ genoemd; maar ondanks, of misschien juist dankzij, die beperkte omvang is het ook in het moderne Westen even geliefd als in antiek China.

Toch is de Daodejing, zo kort als hij is, geen gemakkelijke lectuur: de aforismen erin zijn eerder suggestief dan toegankelijk, en dikwijls duister. Ze betreffen vooral de beperkingen van menselijke categorieën en oordelen van goed en slecht, of mooi en lelijk; ook prijzen ze het zogeheten wu wei of ‘niet-doen’ aan. Dat komt niet neer op lanterfanten, maar op spontaan handelen dat niet gestuurd wordt door plannen, wensen of verlangens. Niet-doen, betoogt Laozi, is de beste manier om je doelen te bereiken: de meest succesvolle heerser heerst juist zo min mogelijk, en probeert zo min mogelijk in te grijpen in het handelen van anderen. Vaak is dat opgevat als een roep om terug naar de natuur te gaan, of naar een kleinschaliger politiek, maar ook is ze recentelijk gelezen als een neoliberale aanbeveling om de vrije markt zijn beloop te laten. Geen wonder dat de Daodejing ook vandaag de dag nog aanspreekt.

Over de auteur, of auteurs, valt niets met zekerheid te zeggen. De vroegste bronnen over Lao zi of ‘meester Lao’, zoals de geschiedschrijver Sima Qian en de filosoof Zhuang Zi, geven ons meer legendes, anekdotes en moppen dan betrouwbare historische feiten. Hoogstwaarschijnlijk is de tekst die nu aan Laozi wordt toegeschreven ook niet het werk van één auteur, maar van verschillende personen uit verschillende perioden. Eeuwenlang is de Daodejing gelezen in de tekstuitgave en het commentaar van Wang Bi (226-249), maar in de 20ste eeuw hebben archeologische ontdekkingen belangrijke nieuwe inzichten opgeleverd. Bij opgravingen, eerst in 1973 in Mawangdui en later in 1993 in Guodian, zijn teksten gevonden die teruggaan tot de derde eeuw voor de christelijke jaartelling.

Lange lijst

Er bestaan al diverse Nederlandse vertalingen van deze klassieke tekst; de meeste vanuit het Engels gemaakt, maar sommige ook rechtstreeks uit het Chinees, zoals die van de beroemde sinoloog Duyvendak uit 1942. Aan die lange lijst zijn nu, vrijwel tegelijkertijd, twee nieuwe versies toegevoegd, één door de literaire vertaler en romancier Bartho Kriek, en één door de sinoloog Kristofer Schipper, die eerder al Zhuang Zi vertaalde (besproken in Boeken, 11.05.2007). Je kunt je afvragen waar dat voor nodig is. Onder de bestaande vertalingen zitten verscheidene erg goede; ook de Mawangdui-tekst is al in het Nederlands beschikbaar. Maar de blijvende populariteit van dit werk, de nieuwe wetenschappelijke inzichten en de steeds nieuwe generaties lezers zijn waarschijnlijk voldoende rechtvaardiging.

Het ligt voor de hand te denken dat Krieks vertaling zich meer dichterlijke vrijheden permitteert, en dat Schippers versie vooral streeft naar wetenschappelijke precisie. Maar dat blijkt niet altijd het geval te zijn. Kriek benadrukt dat zijn vertaling niet bedoeld is om te bestuderen maar om je als lezer aan de tekst ‘over te geven’. Zulke Schwärmerei doet het ergste vrezen, maar Kriek blijft dicht bij de originele tekst, en bij bestaande vertalingen. Daardoor is zijn eigen vertolking, waarin vooral de Penguin-vertaling van D.C. Lau doorklinkt, behalve elegant en poëtisch ook opmerkelijk nauwkeurig.

Een bezwaar is dat Kriek zich baseert op Wang Bi’s tekstbezorging, en niet op de oudere manuscripten van Mawangdui of Guodian. Je kunt deze keuze betreuren, maar hij valt goed te verdedigen: het is tenslotte in Wang Bi’s versie dat Laozi eeuwenlang is gelezen en invloed heeft uitgeoefend.

Zoals Krieks versie veel weg heeft van die van Lau, zo lijkt Schippers versie een beetje op de ‘filosofische vertaling’ uit 2003 van de Amerikanen Roger Ames en David Hall, die naast een Engelse weergave ook een lopend filosofisch commentaar en de Chinese tekst van de Mawangdui- en Guodian-manuscripten biedt. Ook Schipper geeft een reconstructie van de oorspronkelijke Chinese tekst, naast een inleiding en een historische schets. Zijn vertaling staat steeds op de rechterbladzijden, en wordt op de linkerpagina’s geflankeerd door een kort commentaar, dat vaak bestaat uit uitvoerige citaten uit die andere taoïstische klassieker, de Zhuangzi, genoemd naar de auteur, Zhuang Zi. Soms werkt dat verhelderend, maar niet altijd; ook rijst de vraag of je Laozi wel recht doet door hem zo door de bril van Zhuangzi te bekijken. De verschillen tussen de twee zijn immers aanzienlijk.

Dao of ‘weg’, de suggestieve en veelvormige centrale term van het boek, duidt op de onbenoembare, maar blijvende of constante kracht in de veranderlijke wereld. Schipper geeft er de voorkeur aan om dit woord onvertaald te laten. Daar valt veel voor te zeggen, maar de, het andere – en minstens zo veelvormige – sleutelwoord uit de titel, geeft hij juist weer een heel specifieke invulling, door het consequent met ‘innerlijke kracht’ te vertalen. Niet ten onrechte wijst hij het vaak gebruikte ‘deugd’ van de hand; in die betekenis is de vooral gebruikt door confucianisten en 19de-eeuwse christelijke missionarissen. De suggestie dat de op een specifiek innerlijke kracht duidt, valt echter niet goed uit de tekst zelf af te leiden. Kriek vertaalt deze term neutraler met ‘kracht’.

Schipper bespreekt Laozi’s taoïsme niet zozeer als een interessante filosofische tekst uit het verleden: hij beveelt het ook aan als een religieuze of levensbeschouwelijke positie voor het heden, die vooral ook kritiek kan bieden op de monotheïstische wereldreligies. Volgens hem kent het taoïsme geen dogma’s, maar wel gelooft hij dat het kosmologische doctrines verkondigt die in overeenstemming zouden zijn met de nieuwste inzichten van de moderne natuurkunde. Ook prijst hij wu wei aan als voorloper van de laissez-faire-economie van de vrije markt.

Het moge duidelijk zijn: hier is een gelovige aan het woord, die probeert zijn lezers te winnen voor zijn religie. Dat is vanzelfsprekend Schippers goed recht. Alleen staat deze bekeringsijver op gespannen voet met de wetenschappelijke precisie en objectiviteit die hij zegt na te streven. Probleem is vooral dat Schippers vertaling sterk door zijn eigen overtuigingen is beïnvloed, zonder dat hij duidelijk maakt waar de vertaling in de strikte zin ophoudt en waar zijn eigen toevoegingen en duidingen beginnen.

Ook vecht hij allerlei academische ruzies uit: zo schampert hij op de volgens hem ‘kortzichtige’ en ‘elitaire’ lezingen die Laozi’s vroege taoïsme beschouwen als een primair filosofische stroming, die pas later tot een volksgeloof zou zijn gemaakt. Volgens hem richt de Daodejing zich niet op filosofische argumentatie, maar lichamelijke en innerlijke meditatie (nei ye). Door deze nadruk op religieuze en meditatieve kanten van de Laozi komen de meer filosofische en argumenterende kanten ervan minder goed uit de verf. Die zijn er echter wel degelijk: zoals ook Schipper zelf al onderkent, staan veel passages lijnrecht tegenover centrale confucianistische doctrines over deugd (de) en medemenselijkheid (ren).

Arm en onwetend

Schipper zet zich sterk af tegen meer politieke lezingen van de Daodejing. Onder meer in hoofdstuk 3 en 65 beveelt Laozi de heerser aan om de bevolking arm en onwetend te houden, want als die onderscheid kan maken tussen rijk en arm, mooi en lelijk, enzovoorts, ontstaan er slechts jaloezie en onderlinge strijd. Schipper wijst de voor de hand liggende politieke lezing van deze passages verontwaardigd van de hand, en ziet ze als een pleidooi om terug naar de natuur te gaan.

Dat mag allemaal, maar Schipper probeert zijn gelijk te halen door allerlei toevoegingen in de vertaling te smokkelen die domweg niet in het origineel staan. Zo staat er meermaals in de tekst, bijvoorbeeld in hoofdstuk 21 en 54, de cryptische uitspraak ‘Hoe weet ik dat? Hierdoor. Schipper vertaalt echter yi ci, ‘hierdoor’, met frases als ‘door dit hier – mijn eigen lichaam’ of ‘vanuit mijn eigen innerlijk’. Noch dat lichaam, noch dat innerlijk staat echter in enige originele tekstvariant; Schippers versie is met andere woorden geen vertaling maar een duiding.

Nog duidelijker blijkt dat in hoofdstuk 17. Kriek dicht daar:

Bij de allerhoogste heersers weten de onderdanen van hun bestaan

Die daarna komen, zijn geliefd en worden geprezen,

Die daarna worden gevreesd,

Die daarna bespot…

Terughoudend waren ze, en zo maakten ze hun woorden kostbaar.

Als hun werk af was en alles liep, zeiden alle mensen: We hebben het uit onszelf gedaan.

Schipper vertaalt als volgt:

De allerhoogste:

Nadat hij was heengegaan,

Kwam er de kennis omtrent zijn bestaan.

Toen volgden voor hem liefde en verering

Daarna ging men hem vrezen

Nog verder afgezonken ging men hem vervloeken…

Toen alles volbracht was, mijn werk gedaan,

Noemden de honderd stammen me: ‘het spontane’

De – forse – betekenisverschillen ontstaan deels doordat de Chinese tekst verschillende lezingen niet uitsluit, maar het door Schipper genoemde ‘heengaan’ staat domweg niet in de Chinese tekst. Ook maakt Schipper, zonder duidelijke reden, van da shang of tai shang (‘grote’, of ‘hoogste heerser’), een ‘opperwezen’ in de religieuze zin. Zijn enige bron hiervoor is een commentaar van een Zenmonnik uit de 17de eeuw: een tekst van 2.000 jaar later.

De definitieve Laozi-vertaling is er dus nog niet. Krieks weergave doet recht aan Laozi’s poëzie, en is terughoudend met eigen duidingen. Schipper probeert veel sterker een specifieke, en niet onomstreden, levensbeschouwelijke duiding aan de lezer op te dringen. Wie streeft naar precisie, heeft nog altijd meer aan eerdere vertalingen als die van Duyvendak.