Heden helaas geen buitenlands nieuws

De oplagecijfers gieren er omlaag, de grootste krant van de VS heeft nog maar drie buitenlandse correspondenten. Wat betekent dat voor de Amerikaanse blik op de rest van de wereld?

Te koop op Ebay: Chronicle Collectibles 12" War Journalist Action Figure Foto Herman Li

John Maxwell Hamilton: Journalism’s Roving Eye. A History of American Reporting. Louisiana State University Press, 655 blz. € 45, -

In 1969, in de nadagen van zijn carrière, schreef C.L. Sulzberger, een vermaard correspondent van The New York Times (NYT): ‘Als jongelui me om advies vragen over hoe ze buitenlands correspondent kunnen worden, zeg ik tegen ze: doe het niet. Het is hetzelfde als hoefsmid worden in 1919 – nog steeds een eerbaar beroep, maar het paard is gedoemd.’

Veertig jaar later moet de conclusie helaas zijn dat Sulzberger grotendeels gelijk heeft gekregen – althans wat zijn eigen land betreft. In Europa slagen kwaliteitsmedia er dikwijls ook moeilijk in de kleur en kwaliteit van hun buitenlandberichtgeving overeind te houden, maar in de VS is de situatie dramatischer. Er zijn nog wel buitenlandcorrespondenten, zoals er ook nog steeds behoefte is aan een enkele hoefsmid, maar buiten de NYT en enkele persbureaus om hebben ze weinig emplooi. De Philadelphia Inquirer, ooit een gerenommeerd dagblad, trok enkele jaren geleden zijn laatste correspondent terug, uit Jeruzalem. De nieuwe uitgever verklaarde: ‘We hebben geen kantoor-Jeruzalem nodig; wat we nodig hebben is meer mensen in het kantoor-South Jersey.’

Auteur, hoogleraar en voormalig verslaggever John Maxwell Hamilton heeft een onderhoudend en vooral kleurrijk boek geschreven over hoe in de Amerikaanse media het buitenland in de loop der eeuwen werd beschreven en geïnterpreteerd, beginnend met Benjamin Franklins 18de- eeuwse berichten vanuit Europa en eindigend met (zij het summier) Irak. Eerder dit jaar werd het bekroond met de Goldstein Award, een prijs van de Harvard Universiteit voor boeken over pers en persgeschiedenis. Hamilton beschrijft de allereerste jaren van de geschreven journalistiek, toen het nieuws vanuit Europa er nog weken, zo niet maanden over deed om via vracht- en passagiersschepen Amerika te bereiken. Bladen stuurden kleine bootjes de oceaan op om de schepen tegemoet te varen en zo hun concurrenten misschien wel met een hele dag de loef af te steken – en daar dan weer trots melding van te maken.

Kranten waren vooral in de 19de eeuw trots op hun buitenlandverslaggeving. De New York Herald besteedde in het midden van die eeuw meer dan 60 procent van zijn berichtgeving aan het buitenland en een commentator schreef: ‘De positie van een krant kan over het algemeen afgelezen worden aan de omvang en kwaliteit [...] van zijn buitenlandse berichtgeving.’

Een halve eeuw later was dat percentage gedecimeerd en in 1927 betrof het in geen enkele Amerikaanse krant nog meer dan 10 procent. Maar paradoxalerwijs was het interbellum nu juist de periode waarin de avontuurlijke manier van verslaggeving veel aandacht trok; de dollar was nog sterk, en met name Europa had een onwaarschijnlijk grote aantrekkingskracht op jongemannen die de journalistiek in wilden. Sulzbergers waarschuwing was nog lang niet van kracht.

Hamiltons boek is vooral aantrekkelijk vanwege de manier waarop hij enkele van de meest kleurrijke en controversiële verslaggever/avonturiers uit die periode maar ook daarvóór weet te portretteren. Om te beginnen Henry Morton Stanley die op kosten van de New York Herald naar het hart van Afrika werd gestuurd ‘to find Livingstone’. Maar ook de avontuurlijke Vincent Sheean, die zo populair werd dat zijn memoires zelfs verfilmd werden; John Gunther en de buiten Amerika nauwelijks bekende Richard Halliburton, wiens fantasie even onuitputtelijk was als zijn behoefte aan voorschotten. Niet te vergeten de flamboyante Herbert Bayard Swope, die zich verkleed als diplomaat toegang verschafte tot de Vredesconferentie van 1919; Dorothy Thompson, die in de vroege jaren dertig triomfantelijk kon berichten ‘I saw Hitler!’ en prompt Duitsland uitgezet werd. En natuurlijk Edgar Snow, die te veel van China wist om zich te conformeren aan de pro-Taiwanlijn van Washington en derhalve (door bijvoorbeeld James Reston in de NYT) in het communistische kamp werd ingedeeld.

Hamiltons relaas lijkt, na de beschrijvingen van de tijden toen alles nog kon, te eindigen in de kleur van de zwartste drukinkt, want de statistieken over het aandeel van de buitenlandse berichtgeving in de Amerikaanse media lopen alarmerend omlaag. En dit komt uiteraard bovenop de afnemende oplagen bij de kranten, de fusies en andere omstandigheden die maken dat steeds meer dagbladen de handdoek in de ring gooien. Kranten zijn niet langer het trotse bezit van gegoede burgers die het als hun plicht zagen een ‘mooie’ krant uit te geven, maar van aandeelhouders die alleen naar de winstcijfers kijken. De oplagen in de VS gaan nog sneller omlaag dan in Nederland. In de tweede helft van de vorige eeuw daalde het aantal betaalde abonnementen per duizend inwoners van 353 naar 202.

Buitenlandsverslaggeving is, zo betoogt Hamilton, een van de kostbaarste journalistieke ondernemingen en tegelijk een van de minst bevredigende in termen van ‘audience interest’. USA Today, verreweg de grootste krant van de VS, heeft nog maar drie permanente buitenlandse correspondenten. Eigenaars laten in toenemende mate de oren hangen naar aandeelhouders en lezerspanels. Het gevolg: buitenlands nieuws, en dat geldt voor alle media, is alleen nog maar interessant als er Amerikanen bij betrokken zijn of wanneer het een uitzonderlijk grote ramp betreft – en bij voorkeur allebei. Steeds meer kranten vertrouwen geheel op de bureaus van Associated Press, dat nog wél een stevige aanwezigheid heeft in veel landen.

Voeg daarbij de onbeholpen, bijziende manier waarop de tv-netten naar het buitenland kijken, en je begrijpt waarom het overgrote aandeel van de Amerikanen nog steeds niet op een landkaart de landen kan aanwijzen waar ze oorlogvoeren. Laat staan dat ze enig begrip hebben van de redenen waarom ze dat doen.

Wie niet aan een van de beide kusten of in een van de universiteitssteden daartussenin woont, moet wel erg zijn best doen zich van achtergrondinformatie over het buitenland te voorzien. Naarmate Amerika’s macht groeide, groeide de zelfgenoegzaamheid in evenredige mate, en die hield in dat de rest van de wereld steeds minder belangrijk werd – behalve als bron van grondstoffen en als afzetgebied voor Amerikaanse producten.

Hamilton betreurt ook de manier waarop de televisie het buitenlandse nieuws brengt, ook op de netten die in nieuws gespecialiseerd zijn zoals CNN en zijn reactionaire tegenhanger Fox News. ‘Dankzij ons steeds sensationeler systeem van sterrenverering worden enkele correspondenten tot steeds absurdere niveaus van beroemdheid opgeheven’, schrijft hij en hij noemt als voorbeeld CNN’s Christiane Amanpour, die in Amerika een heuse tv-ster is geworden (met de bijbehorende reclamecontracten). Waarop die status is gebaseerd is inderdaad een raadsel: bij een Europees medium (in Engeland, Frankrijk maar ook Nederland) zou ze nauwelijks meer dan een gemiddelde redactrice zijn.

Maar Hamilton weet in het laatste hoofdstuk zelfs pessimisten op dit gebied een hoopvol perspectief voor te houden. Hij wijst op de degelijke buitenlandberichtgeving van het niet-commerciële National Public Radio (geruggesteund door, pikant detail, een donatie van 235 miljoen dollar uit de nalatenschap van de man die het McDonald’s-imperium stichtte) en daarnaast natuurlijk op het toenemend belang van de nieuwste communicatietechnieken, die de aard van de verslaggeving radicaal veranderen maar wel maken dat het nieuws er nu geen maanden maar seconden over doet om de consument te bereiken.

Er vallen twee bezwaren tegen dit zeer onderhoudende en leerzame boek in te brengen, en het eerste is ook een ernstig bezwaar. Hamiltons betoog houdt praktisch op bij de inval in Irak zeven jaar geleden, terwijl er over het beschamende gedrag van de Amerikaanse media met name in de aanloop naar en de eerste weken van de oorlog heel wat kanttekeningen te plaatsen zijn.

De allesoverheersende toon was er, in de woorden van de onlangs overleden socioloog Howard Zinn, een van ‘triomfalisme.’ Het genante optreden van Colin Powell voor de Veiligheidsraad was zeskoloms voorpaginanieuws, de ontmaskering van de leugens werd in de dagen erna naar pagina zestien verwezen.

Hamilton veroorlooft zich eigenlijk maar twee korte verwijzingen naar de Irak-verslaggeving, maar steekt zijn kritiek op de media niet onder stoelen of banken. Zeker de embedded journalisten waren bang voor laf en onvaderlandslievend te worden aangezien. En op de allerlaatste pagina van dit boek steekt hij zijn wijsvinger één enkele zin lang waarschuwend omhoog. ‘Na de aanslagen van 9/11, heeft de pers niet adequaat de beweringen van de regering-Bush over de rol daarbij van Irak onderzocht, die de basis zouden vormen voor de Amerikaanse invasie en latere bezetting van dat land.’

Een uitzondering maakt hij, terecht, voor de kranten van de Knight Ridder-groep, en het is omineus dat deze in 2006 geheel uit het medialandschap verdween.

Een tweede bezwaar is de omstandigheid dat Hamiltons keuze voor een thematische benadering – censuur, vooral om dikwijls onzinnige redenen van militaire veiligheid; de rol van vrouwelijke verslaggevers; de praktische benodigdheden van een verslaggever; de rol van de zwarte pers; de audiovisuele media – de overzichtelijkheid van het boek niet erg ten goede komt. Talloze namen van kranten, verslaggevers, persbureaus, magnaten, keren in verschillende hoofdstukken terug, waardoor niet altijd een coherent beeld ontstaat.

Hamiltons boek geeft niet alleen een prachtig historisch overzicht van hoe Amerika via zijn media naar de wereld kijkt. Het is ook nog eens heel prettig geschreven, op een losjes-ironische toon die, geheel zoals het Amerikanen betaamt, suggereert dat het waarschijnlijk allemaal wel goed zal komen. Of dat zo is – Sulzberger zou er waarschijnlijk nu nóg pessimistischer over zijn.