Exposeren naast Tito's graf

Een nieuwe generatie Servische kunstenaars kijkt onbevangen terug op de onzekere nadagen van het communistische Joegoslavië: „Mijn vaders generatie viel in slaap of was niet in staat de loop van de geschiedenis te stoppen. Mijn generatie leeft met de gevolgen.”

Toen Bojan Fajfric klein was maakten ze thuis grapjes over zijn vader Mirko, omdat live op tv te zien was geweest hoe hij in slaap sukkelde tijdens de Achtste Zitting van de Servische afdeling van de Communistische Partij in Belgrado in 1987.

Voor het eerst werd een partijbijeenkomst live uitgezonden op televisie. De zitting duurde vijftien uur. Honderden afgevaardigden keken versuft door de lange zit toe, terwijl gematigde partijprominenten het aflegden tegen partijleider Slobodan Milosevic. Na de Achtste Zitting was zijn macht stevig verankerd en kon hij zonder politieke oppositie zijn destructieve nationalistische koers varen. Vier jaar later was het oorlog en viel de Socialistische Federale Republiek Joegoslavië uit elkaar. Achteraf gezien was de Achtste Zitting het begin van het einde. Destijds had vrijwel niemand dat door.

Bojan Fajfric (1976) verhuisde aan het einde van de oorlog, in 1995, naar Nederland om aan de Koninklijke Academie in Den Haag en later aan de Amsterdamse Rijksakademie te studeren. Volgens hem ging het kunstonderwijs in Servië ‘nergens meer over’: „Het was totaal geïsoleerd.”

Fajfric woont nog steeds de helft van de tijd in Amsterdam, maar zijn videokunst gaat de laatste jaren steeds meer over Servië. Hij verkent de restanten van het land Joegoslavië waarin hij geboren is, maar dat nu niet meer bestaat. In een recent werk zweeft zijn camera over de zolder van het vroegere Joegoslavische parlement, waar de schilden met wapens van de deelrepublieken die vroeger aan de gevel hingen nu staan te verstoffen.

Tijdens de 50ste Oktober Salon, de toonaangevende jaarlijkse expositie van hedendaagse Servische kunst, vertoonde Fajfric vorig jaar de eerste versie van While my father was sleeping. Fajfric laat archiefbeelden zien van de zitting en interviews met zijn vader en mensen die zijn vader kenden. Zijn vader Mirko Fajfric was destijds een van de leidinggevenden van de ‘afdeling ideologie’ van de Communistische Partij in Belgrado. Hij schreef speeches en zorgde voor minutieuze verslagen van vergaderingen. Een groot deel van zijn werkdag bracht hij door tussen opnameapparatuur en stencilmachines.

De archiefbeelden en interviews vormen de basis voor de twintig minuten durende film die Fajfric nu maakt met steun van het Nederlands Filmfonds. Het is een nauwgezette reconstructie van die dag uit het leven van zijn vader. Hij gaat een stap verder dan op de Oktober Salon en kruipt in diens huid. Je ziet Bojan, die zijn vader speelt, ’s ochtends paardrijden, een krantje kopen bij een kiosk die er exact zo uitziet als destijds en kletsen met de mannen van de drukkerij. Het is mooi harmonisch filmbeeld. Door de bruinige tinten lijkt er een waas over te liggen. In origineel archiefbeeld van de Achtste Zitting heeft Fajfric junior zichzelf laten monteren alsof hij erbij was.

Het is bij het maken van de film een geluk dat in het partijgebouw in Belgrado decennialang weinig is veranderd. Het uiteenvallen van het land heeft de vooruitgang in de vroegere hoofdstad gestopt. De stad oogt op veel plekken nog als in 1987. „Alles is er nog”, zegt Fajfric, „maar alles is kapot.”

„Mijn herinneringen zijn gefragmenteerd”, vertelt Fajfric in de studio in de Belgradose bovenwoning waar hij de montage doet. „Ik was elf. Ik herinner me hoe ik mijn vader in slaap zag vallen.” Nu hij de dag nauwgezet reconstrueert is het voor hemzelf ook een confrontatie met deze belangrijke historische gebeurtenis.

In 1987 was in Joegoslavië duidelijk dat fundamentele veranderingen op komst waren. Het was economische crisis en het communistische systeem zou verdwijnen, was de verwachting. Wat ervoor in de plaats zou komen was onzeker. Misschien was de jonge Milosevic een Servische Gorbatsjov, een vernieuwer. Mogelijk lag een lidmaatschap van de Europese Unie in het vooruitzicht. Tijdens de Achtste Zitting werden de eerste stappen richting een meerpartijenstelstel gezet. Mirko Fajfric was een schakeltje in het grotere geheel.

Een gevoel van dreiging ontbreekt in de film volledig. De toon van het werk is niet verwijtend, bijna begrijpend. Gelaten misschien. Wat kun je anders doen dan accepteren? „Ik hoef mensen niet te confronteren met wat ze gedaan hebben. Mijn vaders generatie viel in slaap of was niet in staat de loop van de geschiedenis te stoppen. Mijn generatie leeft met de gevolgen.”

Het uiteenvallen van Joegoslavië en de gevolgen van oorlog en verwoesting zijn onvermijdelijk al vele jaren een thema bij kunstenaars uit de regio. Ze komen aan een diepere analyse van de oorzaken toe nu het meeste stof is neergedaald. Dertig jaar na de dood van de communistische leider Josip Broz ‘Tito’ (1892-1980) richten ze hun blik op het land dat met hem werd begraven en op het vacuüm na zijn dood.

Zonder de grote leider, zowel dictator als populair oorlogsheld, leek alles aanvankelijk routineus bij hetzelfde te blijven. Tito had niets voor zijn opvolging geregeld. Het aparaat draaide richtingloos door. De functies in het landsbestuur rouleerden onder vertegenwoordigers van de deelrepublieken. De muziekindustrie floreerde. Burgers reisden en consumeerden. Broederschap en eenheid bleef formeel het credo, maar onderhuids broeiden de tot dan toe door Tito’s balanceertact onderdrukte spanningen over de verdeling van macht en welvaart.

Het werk van Fajfric is feitelijk, onderzoekend, niet ideologisch en niet oordelend. Hij gebruikt zijn eigen herinneringen als basis voor een reconstructie. Een goed voorbeeld van artistic research, zegt Branislav Dimitrijevic (1967), schrijver, curator moderne kunst en docent kunstgeschiedenis aan de Servische opleiding voor kunst en design.

De Servische kunst werd in de afgelopen jaren meer gedomineerd door de barbarij van oorlog en bloedvergieten, de noodzaak tot politieke stellingname en de harde economische realiteit in de jaren negentig, met een hoofdrol voor de georganiseerde misdaad. Nu signaleert Dimitrijevic een groeiende belangstelling voor de ‘politieke oorzaken van de ramp’. Dimitrijevic noemt de Servische Milica Tomic (1960) als vroegste voorbeeld van een stroming beeldend kunstenaars die persoonlijke herinneringen gebruikt als ingang tot de geschiedenis, vooral daar waar feiten schaars zijn, of berichtgeving werd vertekend door propaganda.

Tomic, die lang in Duitsland woonde, maakte in 1997 al XY Ungelöst. De titel verwijst naar de Duitse versie van Opsporing Verzocht. Het is een reconstructie van de moord op ongeveer dertig etnische Albanezen in Kosovo door Servische ordetroepen tijdens een demonstratie in Kosovo in 1989. In lokale media werd daarover amper geschreven. Bij gebrek aan feiten en informatie zette Tomic haar vrienden, verkleed als Albanezen, in voor een reconstructie die ze filmde en vertoonde.

Het werk was in 1997 in Belgrado te zien, maar werd volgens Dimitrijevic grotendeels genegeerd. Het oprakelen van oorzaken en schuldvragen gold – Milosevic was nog aan de macht – als taboe, het zou traumatiserend werken of getuigen van slechte smaak.

Dat lijkt inmiddels anders. De Oktober Salon van 2009 was uiterst politiek geladen. De hoofdlocatie was het Museum van de 25ste mei, een staatsmuseum genoemd naar de verjaardag van Tito – het staat naast zijn graf. Nog maar een paar jaar geleden was dit een desolate plek waar niemand een bestemming voor leek te weten. Oude en nieuwe machthebbers botsten in 2006 over het opbaren van het lichaam van Slobodan Milosevic in de tentoonstellingsruimten. Inmiddels is het de naam museum weer waardig.

Behalve de video van Fajfric was op de Oktober Salon onder meer werk te zien van Darinka Pop-Mitic (1975) die ook door middel van reconstructie probeert vat te krijgen op haar verdwenen geboorteland. Ze reproduceerde een muurschildering die eind jaren zeventig werd gemaakt tijdens de ‘Week van de solidariteit van het volk van Joegoslavië met de mensen in Latijns-Amerika’. Een visuele uiting van de Joegoslavische betrokkenheid bij de derde wereld, die contrasteert met de huidige naar binnen gekeerde blik en de focus op relaties met de directe buurlanden.

„Voor de generatie van Fajfric zijn de jaren tachtig misschien nog interessanter dan voor mijn eigen generatie (1967)”, denkt Dimitrijevic. „Zij hebben geen echte eigen herinneringen aan hoe Milosevic aan de macht kwam.” De jaren na de Achtste Sessie van de Servische Communistische Partij (later: Socialistische Partij), in feite het begin van het dertien jaar durende Milosevic-tijdperk, noemt hij „politiek de meest traumatiserende periode in Servië”.

Achteraf gezien een putsch van Milosovic, destijds slechts door weinigen zo herkend. „Iedereen projecteerde zijn eigen verlangens op die man. Hij was geliefd, werd gezien als hervormer. Als iemand die bijvoorbeeld problemen van de Servische minderheid in Kosovo bij de naam durfde te noemen.” Na het begin van het bloedvergieten werd het voor Milosevic nodig om verkiezingsuitslagen te vervalsen. In 1990 behaalde hij echt een klinkende overwinning.

Nostalgie is in de staten die zijn ontstaan na het uiteenvallen van Joegoslavië een beladen woord. Het is iets voor westerlingen, die niet echt weten waarover ze praten. Of een luxe die in ex-Joegoslavië alleen de Slovenen zich kunnen veroorloven. Die maakten weliswaar ook ooit deel uit van de federatie, maar hebben zich zonder veel bloedvergieten afgescheiden en zijn nu lid van de Europese Unie. Daar hebben ze rommelmarkten met leuke ‘ex Yu’-speldjes en spelen ze een ‘pionierenpicknick’ na. Sloveense toeristen komen graag een dagje naar het wilde Belgrado waar de tijd heeft stilgestaan en kopen dan Tito-souvenirs bij een bezoek aan zijn graf.

De beelden in Fajfric’ film zijn bedrieglijk mooi, maar een terugverlangen spreekt er niet uit. „Nostalgie hoeft niet positief te zijn. Het kan verwijzen naar een utopie die nooit is gerealiseerd”, zegt hij zelf.

Regisseur Janko Baljak (1965) worstelt met een definitie van zijn eigen nostalgie na een voorvertoning in zijn huiskamer van zijn film Blauwe Trein (Plavi Voz). Het is een bitterzoete komedie over een schoolklas uit 1980, het jaar dat de Joegoslavische leider Josip Broz Tito overleed. Zijn lichaam werd daarna in zijn blauwe trein van de Sloveense hoofdstad Ljubljana, waar hij stierf, naar Belgrado vervoerd. Dwars door het land, zodat de miljoenen rouwende mensen afscheid konden nemen.

Op 4 mei is het dertig jaar geleden dat Tito stierf. De première van de film is deze maand op de dag waarop altijd zijn verjaardag werd gevierd, 25 mei. „Het was het laatste voorjaar van vreedzaam samenleven. Daarna werd alles slechter”, zegt Baljak. „Ik ben niet tegen Tito, ik ben ook geen fan.” Het is geen ideologie, maar een feitelijke constatering dat het leven voor de oorlogen beter was, probeert hij uit te leggen. Burgers hadden meer geld en meer bewegingsvrijheid dan nu. Er was arbeiderszelfbestuur.

De film begint met de aankomst van een aantrekkelijke nieuwe leraar marxisme op de school en met de voorbereidingen van een Prinses Mei-verkiezing. De muziek (Joegoslavische new wave) is goed, de hormonen stuiteren door de gangen van het schoolgebouw. Het schoolfeest op 4 mei wordt onderbroken door de mededeling van het verwarde schoolhoofd dat Tito dood is. Een leerling heft spontaan het volkslied aan. Iedereen zingt mee.

„Mijn herinnering daaraan is heel sterk. Het script zit vol autobiografische details”, zegt Baljak. „Voor het eerst gebeurde iets heel belangrijks. Belgrado kwam tot stilstand. Zeven dagen was er geen muziek, geen film. Miljoenen mensen huilden, heel oprecht verdriet. Ze misten de leider.”

Het eerste scenario voor de film schreef hij al in 1990, vlak voor het uiteenvallen van het land. Baljak had er aan de filmacademie mee willen afstuderen, maar de tijden veranderden razendsnel en geld voor films was er niet meer. „Zeker niet voor dit soort films. Hooguit voor iets Servisch patriottisch.” Hij vergat het verhaal, richtte zich op documentaires die de rauwe werkelijkheid lieten zien van oorlog, georganiseerde misdaad en de gevolgen en oorzaken van de bombardementen op Servië en Kosovo in 1999. „Na de oorlogen heb ik het einde verschillende malen herschreven. Dit is de zevende versie.”

De leraar marxisme en de populairste jongen uit de klas vallen op hetzelfde knappe meisje. De twee rivalen komen elkaar in 1990 weer tegen. De leraar, inmiddels een hoge militair, dwingt de ander het leger in te gaan. Tijdens een klassenreünie in 1996 blijkt dat de hoge militair als oorlogsmisdadiger is afgevoerd naar het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag en de ander lijdt aan een posttraumatisch stresssyndroom.

Nu, nog veertien jaar later, zijn de wonden minder vers, maar is de transitie naar een liberale democratie naar westers model nog altijd niet voltooid. Na het communisme kwamen de oorlogen, nationalisme, economische sancties, bombardementen en het cowboykapitalisme. Een echte zuivering binnen politiek, leger of wetenschap heeft nooit plaatsgevonden. Sommige maffiosen en oorlogshitsers zijn dood of zitten uit beeld in Den Haag. Een deel heeft nog altijd grote invloed. Tijd voor een rustige terugblik was de Serviërs tot nu toe niet gegund.

Tito is uit beeld verdwenen. Op de meeste plaatsen letterlijk. Zijn portret hangt niet meer in de huiskamer, maar op een scharreltocht door Servische kelders kom je hem nog altijd tegen.