En ze leefden nog lang zonder neus

In een tweewekelijkse serie over boeken die bijna onopgemerkt bleven, deze keer kort verhalende gedichten van een 12de-eeuwse dame

Er was eens een sprookje over een baron in Bretagne. Hij was ‘een knappe en dappere ridder, met een nobele uitstraling’ en hij was getrouwd ‘met een mooie adellijke dame’. Er was in hun leven maar één probleem: drie dagen per week verdween de ridder. Hij kon zijn vrouw niet zeggen waar hij dan naar toe ging. Maar zij bleef net zo lang zeuren tot hij het dan toch maar vertelde. ‘Dame’, zei hij, ‘op die dagen word ik een weerwolf.’ En, nog erger: ‘Dame, dan ben ik naakt.’ Vanaf dat moment wilde de dame nog maar één ding: een andere ridder. Toevallig was er in die streek een andere ridder ‘die al lang van haar hield en haar al vaak het hof had gemaakt.’ En toevallig had de dame haar weerwolf nog een ander geheim weten te ontfutselen: zij wist dat hij zonder zijn kleren voor altijd een weerwolf moest blijven. Haar snode plan was snel gemaakt: toen de wolf weer eens in het bos rondstruinde, haalde de andere ridder zijn kleren weg. De wolfridder kwam nooit meer terug, en de dame trouwde met haar nieuwe ridder.

Zo hadden zij nog lang en gelukkig kunnen leven. Maar op een dag ging de koning jagen in het bos. Hij vond de weerwolf en wilde hem doden, maar het dier ‘pakte zijn stijgbeugel en kuste zijn been en voet.’ De koning raakte ontroerd en nam hem mee naar zijn kasteel. En dan voelt u wel aan dat daar een toernooi georganiseerd gaat worden. Daar verschijnt de nieuwe ridder – en meteen wordt hij aangevallen door de weerwolf. Even later verschijnt ook de dame, en ook zij wordt aangevallen: ‘Hij beet haar neus van haar gezicht.’ De koning dwingt de dame tot een bekentenis, en tot het terugbezorgen van de kleren. Pas dan kan de weerwolf weer de knappe ridder worden die hij vroeger was. ‘De koning liep naar hem toe om hem te omhelzen en wel honderdmaal te kussen.’ De dame werd het land uitgejaagd, met haar ridder. Ze kregen veel kinderen, dat wel, maar hun dochters kwamen allemaal zonder neus ter wereld.

Dit is het slot van het sprookje over Bisclavret de weerwolf. Ik weet niet wat ik er het mooist aan vind: deze neusvloek? Of de schroom die de weerwolf overvalt als hij zijn kleren weer terug krijgt: hij durft ze pas aan te trekken als niemand kijkt. Of de verzekering van de verteller dat dit allemaal waar gebeurd is. Die verteller is Marie de France. Zij baseerde zich naar eigen zeggen op een Keltisch lied dat ze had gehoord. Daarvan maakte ze omstreeks 1175 in het Oudfrans een kort verhalend gedicht (een lai, meervoud lais). En zo deed ze dat met nog elf andere verhalen, die allemaal een wonderlijke mengvorm van kinderlijk sprookje, stoere ridderroman en verfijnde hoofse liefdesetiquette laten zien.

Marie de France wordt wel de moeder van de Europese novelle in de volkstaal genoemd. Paul Verhuyck en Corine Kisling vertaalden dertig jaar geleden deze lais in gepaard rijmende regels van acht lettergrepen, net als het origineel. Maar ze vinden nu dat een vertaling in proza beter aansluit bij de geest van het origineel. Er valt voor allebei wel wat te zeggen. Deze nieuwe vertaling leest soepel, maar is wel wat saaier. Soms pakte ik er de oude versie maar weer bij. Die is kinderlijker, maar ook grappiger. De charme ook van de knulligheid: ‘De dochters van haar en haar heer [...] hadden geen neus toen zij ze baarde / en leefden zonder neus op aarde.’

Marie de France: De lais. Liefdessprookjes uit de 12de eeuw. Vert. Paul Verhuyck en Corine Kisling. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 144 blz. € 17.