Een hartelijke ontvangst tussen de brokstukken

De rampplek in Tripoli was gisteren toegankelijk voor media. Er liggen persoonlijke bezittingen van inzittenden. Hun lichamen zijn woensdag naar mortuaria gebracht.

De vliegtuigcrash bij Tripoli is om verschillende redenen wonderlijk. Niet vanwege het hoge aantal slachtoffers, of de onduidelijke toedracht van de ramp. Dat is eerder regel dan uitzondering. Nee, het zit ’m onder andere in de egards waarmee bezoekers worden behandeld. Waar de Nederlandse autoriteiten het rampgebied rond het neergestorte vliegtuig van Turkish Airlines bij Schiphol, in februari vorig jaar, zorgvuldig afschermden voor pottenkijkers, mocht een Nederlandse delegatie in Tripoli gisteren uren ongestoord tussen de brokstukken rondneuzen.

Het decor: een stuk onontgonnen land, in Libië. Dorre struiken in perzikkleurig zand, met op de achtergrond een rommelig vliegveld, landingsbanen, ventwegen. Denk aan gekwetter van vogels, de zomerzon. En dan aan honderdduizenden puzzelstukjes, uitgesmeerd over een strook van bijna een kilometer. Groezelige spijkerbroeken, een elegante roze damespump, een bikini. Een taalgidsje, een verknuffeld pluchen hondje, een Donald Duck. Een houten slavork in de vorm van een giraffe.

Er zijn ook grote stukken. Een staart, een motor, cockpit, twee geblakerde vleugels. De vleugels liggen ver voorbij de cockpit. Ook de oordopjes, de vliegtuigstoelen, de afstandbediening, de kaart met veiligheidsinstructies zijn herkenbaar. En van alle ondefinieerbare stukken verwrongen materiaal daartussen mag je aannemen dat het spul nu eenmaal in een vliegtuig hoort.

Maar wie kan uitleggen dat hier wel een brandje heeft gewoed, en daar niet? Dat de twee schoenen van een paar zich zeker honderd meter van elkaar hebben verwijderd? Hoe dit vliegtuig zich vlak voor de landingsbaan heeft versnipperd en verspreid is nog een groot raadsel. Hoe het negenjarige Nederlandse jongetje deze ramp kon overleven een onbeantwoordbare vraag.

Libische hulpverleners hebben de stoffelijke overschotten van de ruim honderd slachtoffers woensdag al naar twee mortuaria gebracht. In het rampgebied liggen een dag later nog overal latex handschoenen en mondkapjes, maar nergens een spat bloed. Persoonlijke spullen zijn goeddeels meegenomen, om identificatie van de lichamen te vergemakkelijken.

Maar waarom heeft het Libische onderzoeksteam een tabel met vluchtgegevens laten liggen? Waarom ligt er nog een boardingpass, een kunstgebit? Er liggen zelfs nog reisverslagen, waarop met stiften in felle kleuren ‘vakantie Zuid-Afrika 2010!’ is geschreven. Met een hartje erbij.

Op de plek van de ramp was gisteren geen onderzoeker meer te ontwaren. Slechts een handvol Libische militairen en agenten leunde achteloos in de schaduw tegen een muurtje. Wellicht hopen de Libische autoriteiten een goed beeld van zichzelf neer te zetten door de pers zonder restricties door het rampgebied te laten struinen. Het was al frappant dat Nederlandse journalisten, in het land dat doorgaans nogal weigerachtig is als het om visa gaat, dit keer zonder problemen toegang kregen. Ook de Nederlandse delegatie van Buitenlandse Zaken werd gisterochtend allerhartelijkst verwelkomd op een militaire luchthaven, die zo pas leek geboend. De geur van luchtverfrisser was bedwelmend, de vloeren nog nat.

Daan Noort, de leider van het Landelijk Team Forensische Opsporing, dat hier Nederlandse slachtoffers wil identificeren, noemde de Libische ontvangst gisteravond „boven verwachting hartelijk”. De manier waarop de lichamen zijn geborgen viel hem „alles mee”. De Onderzoeksraad Voor Veiligheid prees gisteren de openheid van het Libische team dat het onderzoek naar de oorzaak van de crash leidt.

Woensdagavond, voor vertrek, grapten de mannen van beide delegaties nog samen in de hotelbar dat ze maar wat blij waren geen Zwitsers te zijn. Want sinds de Geneefse politie in juli 2008 Hannibal Gaddafi, een zoon van de Libische leider, wegens mishandeling van personeel arresteerde, leidde dat tot woedende Libische maatregelen tegen Zwitserland, inclusief handelsbeperkingen en een de facto-gijzeling van twee Zwitserse zakenlieden. Het beroemde Lockerbie-proces tegen twee Libiërs van de Schotse rechtbank in 2000 vond anders wel plaats op Nederlandse bodem, merkte een forensisch onderzoeker woensdagavond semi-nonchalant op. Dat zou Tripoli mogelijk niet licht zijn vergeten.

Volgens secretaris-generaal van Buitenlandse Zaken Ed Kronenburg zijn de Nederlandse betrekkingen met Libië „op dit moment normaal”. Er is een Nederlandse ambassade in Tripoli en Libië heeft een vertegenwoordiging in Den Haag, die onlangs is „opgewaardeerd” tot ambassade. Volgens Kronenburg waren Nederlandse vertegenwoordigers na de ramp van harte welkom, maar was Libië „niet erg enthousiast” over de komst van journalisten. „Daar werden de autoriteiten een beetje zenuwachtig van.” Het advies van de secretaris-generaal luidt: „Houd je enkel bezig met de ramp. Ook voor Buitenlandse Zaken is dit niet het moment om in gesprek te gaan over mensenrechten.”

Want Libië blijft natuurlijk een dictatuur. De oliestaat staat al 41 jaar onder streng bewind van kolonel Gaddafi. Hij lacht zijn onderdanen op elke rotonde en vanaf elk flatgebouw toe. En laat rond de Nederlandse delegatie horden mannen met goudkleurige brilmonturen en zware snorren zwermen, die wie weet wat niet allemaal doorbellen naar wie weet wat voor geheime dienst.

Maar die dictatuur laat zich nu van zijn beste kant zien. Bij het ziekenhuis leverden Libische schoolklassen gisteren grote bloemstukken af voor de enige overlevende. Voor de ingang kwam een chauffeur belangstellenden ongevraagd gratis gekoeld water brengen. „Hoe maakt het ventje het nu?”, wilde hij weten. De jongen zou in elk geval in „het beste ziekenhuis van Noord-Afrika” worden behandeld. En mocht de chauffeur van de gelegenheid gebruik maken om de lof van de Nederlanders te bezingen? Hij is dol op ze, verklaarde hij in goed Engels. Hij kent hen goed, ze boren hier immers voor Shell naar olie.

Bij een krantenkiosk bleek die interesse voor Nederland gisteren echter niet. Van de vijftien Arabische dagbladen die in de schappen lagen, liet slechts één krant een beeld van de vliegtuigramp op de voorpagina zien. Het falen van de luchtvaartmaatschappij breed uitmeten? Beter van niet. Maar het jongetje dat gisteren in een Libisch ziekenhuis werd gered, „het wondertje van Tripoli”, vult hier vandaag wel menig voorpagina.