Dolen en peinzen in de stadsoorlog van 1980

Kester Freriks: Gehuwde dochter. Conserve, 160 blz. € 17,50

Het jaar 1980 was in Amsterdam het jaar van de krakersrellen. De ontruiming van een aantal kraakpanden leidde tot botsingen tussen de Mobiele Eenheid en groepen krakers. A.F.Th. Heijden wijdde er De slag om de Blauwbrug (1983) en Advocaat van de hanen (1990) aan. Natasha Gerson beschreef in Plaatstaal (1996) de krakersbeweging van binnenuit. En nu, dertig jaar na de gebeurtenissen, geeft Kester Freriks, destijds ooggetuige, zijn visie. In zijn nieuwe roman, Gehuwde dochter, gaat het vooral om de ontruiming en de sloop van ‘de Grote Wetering’, een kraakpand aan de Weteringschans, tussen Paradiso en Rijksmuseum. De ondertoon van de roman: verontwaardigd.

Freriks’ hoofdpersoon, Johan Valentijn, sympathiseert met de krakers. Zij zijn in zijn ogen onschuldige woningzoekenden, die zich teweerstellen tegen ‘de zucht naar woekerwinst’ van huisjesmelkers en projectontwikkelaars. De grote tegenstelling: ‘Ideeën, dromen en overtuigingen’ tegenover ‘pantserwagens, ruiters en wapenstokken’. Amsterdam wordt gekarakteriseerd als ‘een stad zonder beleid, geregeerd door makelaars’. Johan zelf heeft niet met de krakersrellen te maken, maar zijn dochter Twiske was in 1980 een van de bewoners van de Grote Wetering.

Gehuwde dochter is geen rechttoe rechtaan verhaal over een vader die zich zorgen maakt over zijn dochter die in de kraakbeweging verzeild is geraakt. Het is een raamvertelling: een roman van de dochter binnen de roman over vader Johan. In de roman van Twiske komt ook een Johan voor, maar dat is dan weer niet haar vader, maar een oudere vriend, met wie ze een onduidelijke relatie heeft.

Johan heeft op zijn beurt ook weer onduidelijke relaties met andere vrouwen met wie hij wel of juist geen kind heeft of wel of juist geen kind zou willen. Ingewikkeld. Zelf kwam Freriks er ook niet altijd uit met deze jongere Johan, zoals alleen al te zien is aan de verwarrende mededelingen over zijn leeftijd. Eerst is hij ‘een jongeman van diep in de twintig’. Een paar regels verder is hij ‘de twintig nauwelijks ver gepasseerd’ en nog weer een bladzijde later is hij ‘ver achter in de twintig’.

Johan is geen man uit één stuk, maar een zoeker, een peinzer. Hij doolt graag door Amsterdam. Hij volgt de lussen en lijnen van de grachten, verbaast zich over de stilte én de herrie van de stad en struint graag over de Wallen. ‘Mensen dromen’, mijmert hij, op een mooie zomerdag in 1980, ‘en soms kunnen ze niet meer dromen. Dan is de tijd van dromen voorbij.’ Zo het is maar net.

Hoewel er voortdurend verwezen wordt naar de ontruiming en de sloop van de Grote Wetering en naar de krakersrellen, is Gehuwde dochter veel meer een roman over gevoelens en menselijke verhoudingen dan een politieke actieroman. De stadsoorlog van 1980 vormt het decor voor hooggestemde, maar ook wel erg omslachtige overpeinzingen en ontboezemingen van zijn romanfiguren. ‘Sinds ik me kan herinneren, ben ik ervoor geboren te leven met aanvallen van schrik en ontzetting’, zegt Johan tegen boezemvriend Alfred, die daar niet van terug heeft.

Ook Twiske heeft een wat eigenaardige omgang met haar innerlijke roerselen. ‘Twiske ontdekte [...] dat iets van een tomeloze verbazing zich van haar meester maakte.’ De historische gebeurtenissen zelf hebben ook te lijden onder Freriks’ neiging om de dingen niet rechtstreeks te zeggen. ‘Het was of de rellen rond de Grote Wetering als een aardbeving waren.’ Door dit soort vage formuleringen lijkt Gehuwde dochter niet erg op een roman waarin iets gebeurt, maar eerder op een toneelstuk waarin gebeurtenissen en gewaarwordingen worden nagespeeld.