De nuchtere spil van een ontroerende driehoeksrelatie

boekomslag Mierenkolonie van Jenny Valentine

Jenny Valentine: Mierenkolonie. Vertaald uit het Engels door Jenny de Jonge. Moon, 205 blz., €15,95

‘Ik ben goed in mensen, niet in plots’, verklaarde Jenny Valentine indertijd het succes van haar debuut Op zoek naar Violet Park in deze krant. Met haar derde jeugdroman bevestigt ze opnieuw dat goede zelfkennis onontbeerlijk is voor het slagen van een boek. In Mierenkolonie benut ze ten volle haar sterke eigenschappen: het verhaal, dat wisselend wordt verteld vanuit het perspectief van een 17-jarige jongen en 10-jarig meisje, ontleent zijn kracht aan de compositie, terloopse stijl en uiteenlopende personages die met groot inlevingsvermogen zijn neergezet.

Valentine opent weer met een intrigerend beeld: een kind met donkerrood haar en een roomblanke huid wacht in een duistere, matzwarte portiek op Camden High Street in Londen. Haar zwarte kleren doen haar gezicht en haarbos oplichten ‘alsof ze uit de nacht tevoorschijn was gekomen en voor een schilder poseerde, […] alsof ze aan de wand van de National Gallery thuishoorde’.

Dat filmische beeld danken we aan het scherpe observatievermogen van Sam, die om mysterieuze redenen van huis is weggelopen en in Londens drukte op zoek is naar ‘een mantel die hem onzichtbaar kan maken’, een nieuw leven ‘zonder verleden’, het tegenovergestelde van zijn vroegere, schijnbaar rustige plattelandsleven.

Natuurlijk krijgt Sams ‘schilderij’ een ziel en stem: die van de naar warmte hunkerende Bo, de dochter van een alcoholistische, alleenstaande moeder. En natuurlijk lopen Sam en Bo elkaar tegen het lijf, want Valentine gelooft vast dat de richting van ieders levenspad wordt bepaald door toeval. Trefplaats is hun beider nieuwe woning waar ook plaats is ingeruimd voor tattoo-Mick, huisbaas Steve, die volgens Bo – haar hele wezen verraadt een echte 10-jarige – ‘een flikflooier met een schubbekop’ is, en de oude Isabel met haar ‘levende kruimeldief’ Deurmat.

Isabel is de ontnuchterende spil van het verhaal. Zij brengt de typisch Britse bewoners van ‘het gekkenhuis’ samen. Zij ontfermt zich over Bo, en regelt dat Sam (zwijgzaam), tegen zijn zin, voorzichtig vriendschap met Bo (praatgraag) sluit. (Gedurfd uitgangspunt in onze voor seksueel misbruik overgevoelige maatschappij.)

De onderlinge humorvolle dialogen, waarmee Valentine bewijst de kunst van het weglaten goed te verstaan, dragen de roman. Mooi en oprecht – ze vermijdt het cliché van de romantische verwikkelingen dat veel adolescentenboeken typeert – wordt de groeiende, generatie overstijgende vriendschap tussen Bo, Sam en Isabel geschetst. Zoals ze dat ook deed in haar eersteling, waarin de relatie die hoofdpersoon Lucas met zijn 5-jarige broertje heeft, even boeiend is als de relatie die hij, dankzij de dode Violet Park, met zijn grootouders opbouwt.

De ontroerende driehoeksrelatie leidt tot een verrassende apotheose, in gang gezet doordat Bo – als Sams jongere spiegelbeeld – diep ongelukkig wegloopt, met het mierenboek van Sams vroegere schoolvriend Max op zak. Bekentenissen volgen. Geheimen worden onthuld. En alles, inclusief de enigszins doorzichtige betekenis van de titel, valt op zijn plek. Sam, een puberaal vat vol tegenstrijdigheden, begrijpt dan dat hij niet kan weglopen voor zijn verleden en dat mensen, als mieren, ‘in hun eentje niets voor elkaar krijgen, maar samen iets onvoorstelbaars kunnen presteren’. Dat Valentine hier niets nieuws vertelt doet er niet toe: haar personages zijn onvergetelijk.