De janboel die de eeuwen doorstaat

Jean-Marie Blas de Roblès grossiert in eruditie in zijn wonderbaarlijke roman over Athanasius Kircher, waarin heden en verleden knap met elkaar verbonden worden.

Jean-Marie Blas de Roblès: Waar de tijgers thuis zijn. Vertaald door Karina van Santen, Martine Vosmaer en Martine Woudt. Ailantus, 663 blz. € 32,50

Ruim een kilo en bijna 700 bladzijden publiceren van een hier totaal onbekende hedendaagse Franse auteur – het ontbreekt de jonge uitgeverij Ailantus niet aan lef. Drie vertaalsters leverden een prima vertaling af van wat een monsterroman is genoemd, een boek dat eeuwen overbrugt, wetenschap, religie, avontuur, biografie en fictie vermengt en vooral een geweldige leeservaring is. Waar de tijgers thuis zijn heet de roman van Jean-Marie Blas de Roblès (1954), een titel ontleend aan Die Wahlverwandtschaften van Goethe. En aan Goethe is ook het motto ontleend: niemand wandelt straffeloos onder palmen, en overtuigingen worden anders ‘in een land waar olifanten en tijgers thuis zijn’. Inderdaad blijft geen enkel personage uit deze roman, uit welke eeuw dan ook, hangen in zijn geboorteland en ‘als hij op vreemde grond wordt geworpen, verandert hij. Hoe hij ook omgaat met papegaaien, apen, en... laten we zeggen autochtonen, hij blijft ontworteld’.

Dat laatste geldt voor alle hoofdpersonen in de vijf grote verhaallijnen die in de roman door elkaar heen lopen: waar ze zich ook bevinden, ze hebben geen enkel zicht op wat er zich vlakbij afspeelt, ze doorgronden niets van degenen met wie ze intiem omgaan. Toch is iedereen, onzichtbaar en vaak onbewust, op de een of andere manier met elkaar verbonden. Dat ingenieuze, verborgen skelet geeft aan het gigantische project zijn eenheid en – uiteindelijk, op de laatste bladzijden – zijn logica.

De ruggegraat ervan is Eléazard van Wogau, een Fransman die zich heeft teruggetrokken in Alcântara, een 18de-eeuwse barokstad op een Braziliaans schiereiland die langzaam tot een ruïne vervalt. De stad ‘wordt opgeslokt door oerwoud, insecten en vocht’ en wordt alleen nog bewoond door wat vissers en een enkele boer. Eléazard, die sinds het vertrek van zijn vrouw alleen nog gezelschap heeft van Heidegger, zijn papegaai, is buitenlandcorrespondent van Reuters, maar stukken schrijft hij niet meer. In plaats daarvan houdt hij zich bezig met de annotatie en bezorging van een obscuur manuscript dat via een Berlijnse bevriende wetenschapper op zijn bureau is beland. Dat manuscript is in 1690 geschreven door de Duitser Caspar Schott en gaat over het leven van zijn leermeester, de man die hij op al zijn reizen vergezelde, de Duitse jezuïet Athanasius Kircher (1602-1680). Het grootste deel van de roman is gewijd aan de uitzonderlijke biografie van deze 17de-eeuwse versie van het universele genie, een figuur uit de Contrareformatie, tevens astronoom, egyptoloog, vulcanoloog, uitvinder van de microscoop, geograaf, taalkundige, alchemist, sinoloog en pater – een erkende grootheid in zijn tijd, die verkeerde met ‘vrijdenkende gesprekspartners’ als Descartes, Leibniz, Galilei en Newton. Kircher was bij alle vorstenhuizen een graag geziene gast en werd ook door de paus van menig opdracht voorzien.

De levensbeschrijving van Kircher, die Eléazard becommentarieert, bevat vele geestige momenten. Zoals de passage waarin verteld wordt hoe Kircher zijn trouwe metgezel voor de ogen van diverse Romeinse kardinalen van de Engelenburcht laat afspringen, voorzien van een instrument dat leek op ‘een vleermuis zonder lijf, achttien voet in spanbreedte, geheel van zijde & witte veren die op een staketsel van biezen waren gepind’. Hij breekt zijn benen, maar overleeft de sprong, waarna de vliegpogingen met ter dood veroordeelden worden voortgezet. Om zijn leerling op te monteren, bedenkt Kircher een ‘ongebruikelijk muziekinstrument’, een soort piano bestaande uit kleine kistjes waarin katten opgesloten zitten. Als je een van de pedalen induwde, bewoog ‘een hamer die bruusk neerkwam op een kattenstaart die op een houten plankje zat vast gesnoerd’, waarbij ‘alle katten op toonhoogte miauwden’. Ook zijn afdaling in de krater van de uitbarstende Vesuvius blijft in je geheugen gegrift staan. ‘Tientallen kruipelaars’ ziet Kircher het vuur ontvluchten en daarom acht hij bewezen dat ‘bepaalde dieren uit het vuur zelf ontstaan’. Kircher muntte uit in dergelijke grandioze vergissingen. ‘Zijn werk is een janboel’, laat Blas de Roblès Aléazar dan ook zeggen, ‘hij is een ordinaire manipulator [...] hij heeft de wording van de wetenschappelijke geest gemist en is zijn tijd niet waardig’.

Kircher bleek bovendien rijkelijk teksten ontleend te hebben aan illustere voorgangers, wat leidt tot een beschouwing over plagiaat en het genre van de biografie. ‘Iedere creatieve daad’ ontstaat uit imitatie, beweert een personage, ‘de geschiedenis van de kunst en van de wetenschap bestaat uit de verwerking van wat anderen vóór ons hebben beproefd. [...] Plagiaat is noodzakelijk! [...] Boeken worden alleen met andere boeken gemaakt’ – daarvan getuigt Waar de tijgers thuis zijn bij uitstek. Ook over het genre van de biografie wordt nagedacht: ‘Kan de biografie van een bedrieger iets anders zijn dan bedrog?’ En is het doel van Eléazar eigenlijk niet ‘om het werkelijke en het fictieve te verenigen in een nieuwe werkelijkheid, in een stereoscopisch reliëf?’

Het levensverhaal van Kircher is maar één van de vele verhaallijnen. We volgen ook Eléazar von Wogau, die verliefd wordt op een mooie Italiaanse, terwijl hij op zijn beurt door zijn huishoudster wordt bemind. De twee vrouwen bezoeken, ieder met hun eigen problemen, een macumba, een nachtelijke bijeenkomst in de jungle waarbij mensen door speciale drankjes en het roken van drugspijpen door geesten bezeten raken en er een totale orgie ontstaat.

Ook in de andere verhaallijnen lijkt het ultieme doel van de mens te bestaan uit het bereiken van pure extase – meer dan uit het duiden van de wereld door middel van de wetenschap. De wetenschap is tot niets in staat vergeleken bij de kracht van de menselijke driften. Eléazars lesbische, verslaafde dochter Moéma, studente etnologie, troggelt hem via haar brieven steeds weer geld af en zoekt haar geluk in seks en verdovende middelen – alles om haar roes te bereiken. Vanuit een domme begeerte verliest ze zichzelf in Aynoré, zoon van een sjamaan, een indiaan in wie ze, onder invloed van lianenbrouwsels en paradijselijke visioenen, een symbool van menselijk onrecht, van menselijke puurheid, ziet. Als Aynoré genoeg van haar heeft, levert hij haar uit aan een stelletje gewetenloze mannen die haar ergens in een favela voor dood achterlaten. Een ‘engel’ komt haar te hulp, Nelson de aleijadinho, een gehandicapte 15-jarige jongen, zonder benen, uit Fortaleza, die zich laag over de grond verplaatst en al bedelend probeert te overleven. Hij wordt gedreven door wraakgevoelens ten aanzien van een corrupte gouverneur uit São Luís, die ongezien ook een rol speelt in de levens van de andere personages.

Degene die het meest intens en van dichtbij getuige is van wat extase en apocalyps betekenen is Elaine van Wogau, de vrouw die Eléazar heeft verlaten, omdat zij zich bedreigd voelde door haar mans morbide belangstelling voor Kircher. Als geologe is zij met een wetenschappelijk onderzoeksteam de jungle van Mato Grosso ingetrokken, op zoek naar honderden miljoenen jaren oude fossielen.

De tocht door het oerwoud, waarbij ze eerst worden gegijzeld door een ex-nazi, daarna door een indianenstam op zoek naar verlossing, zou zo kunnen dienen in een Indiana Jones-scenario. Op een geïsoleerde bergtop met een eigen ecosysteem, zorgt een ‘medicijn van de wilden’ voor een herhaling van het Icarus- en engelenthema – met desastreuze afloop. Dan blijkt hoe Kirchers werk, wetenschappelijk of niet, de eeuwen doorstond.

Blas de Roblès trekt subtiel parallellen tussen de verschillende levensverhalen, tussen de 17de en de 21ste eeuw. Brazilië, het land dat hij bij uitstek associeert met exuberantie en barok, spiegelt de ontembare lust tot ontdekken van de 17de-eeuwse jezuïet. Kircher bereikt de extase bij het ontdekken van iets nieuws, de anderen zoeken de roes met andere middelen. De levensgevaarlijke jungle waarin Elaine en haar wetenschappers verzeild raken, is even gewelddadig als de ‘geciviliseerde’ jungle van beton, waarin corruptie, speculatie, drugs- en wapenhandel even dodelijk zijn. Waarin, zo lijkt de onderliggende vraag te zijn, schuilt eigenlijk de vooruitgang van de wereld? Wat heeft de wetenschap, de technologie ons gebracht? Als een van de personages een arme visser moet uitleggen waaruit de vooruitgang van de Westerse beschaving bestaat, denkt hij aan de hogesnelheidstrein, kerncentrales, computers en bommen, maar ‘het lukte hem niet één enkele wetenswaardigheid uit het geheel te lichten die deze man zou kunnen interesseren. Een man voor wie de natuurlijke rijkdommen van de aarde, het aantal uren zonneschijn, de invloed van de maan op een bepaalde plant nog waarde en betekenis hadden’. Blas de Roblès is erin geslaagd eruditie, filosofie, bijbelse thema’s en een reflectie op onze wereld grandioos samen te brengen.