Altijd zondagmiddag Schepper van bevallige leugens

B.C. Koekkoek is Nederlands grootste romantische schilder. In het Duitse Kleef, waar hij achtentwintig jaar woonde, vond hij het landschap van zijn dromen.

Hij liet de tsaar van Rusland wachten, ging op reis door Luxemburg met de koning van Nederland, won gouden medailles op de salons in Parijs en Duitse vorsten vochten om zijn schilderijen. Barend Cornelis Koekkoek (1803-1862) was tussen 1835 en 1860 een van de belangrijkste schilders van Europa. Er waren lange wachtlijsten voor zijn werk. Maar nog tijdens zijn leven vond er een revolutie plaats in de kunst en haalde de tijd hem in. De ‘prins der landschapsschilders’ verbleekte snel bij de Haagse School en de impressionisten. Maar in grote musea als Boijmans Van Beuningen hangt zijn werk nog altijd op prominente plaatsen. De Hermitage en het Poesjkin museum in Rusland hebben beide meer dan tien Koekkoeks. Op veilingen brengen zijn schilderijen tonnen en soms meer dan een miljoen euro op.

B.C. Koekkoek is de grootste Nederlandse schilder van de eerste helft van de negentiende eeuw en onze beste romantische schilder, maar de status die hij in zijn eigen tijd had, is nu onbereikbaar. De herwaardering, waar zijn liefhebbers al zeventig jaar naar verlangen, zal wel nooit komen.

Guido de Werd heeft daar vrede mee. Hij is sinds 1976 directeur van museum B.C. Koekkoek Haus in Kleef, waar Koekkoek lange tijd heeft gewoond. De Werd krijgt dagelijks vragen over de echtheid van een werk, vooral uit de Verenigde Staten. „De Amerikaanse zijn allemaal vals”, zegt hij stellig. „Er is in Koekkoeks tijd erg veel in zijn stijl geschilderd en daar is in Amerika altijd veel vraag naar geweest.”

De Werd houdt van Koekkoek, maar onderkent diens beperkingen. „Technisch schildert hij perfect, elk blaadje aan een boom krijgt aandacht, maar daardoor verdwijnt het gevoel. Zijn jeugdwerken uit de jaren twintig zijn veel frisser en hij is in zijn tekeningen altijd spontaan gebleven. Er is een grens aan zijn herwaardering, Koekkoek kan nu eenmaal nooit groter worden dan Van Gogh of Mondriaan. Voor dat niveau schiet hij te kort.”

B.C. Koekkoek is de meester van de weidse vergezichten over rivierdalen met ruïnes, en van geweldige boslandschappen met majestueuze eiken en beuken waar het zachte avondlicht sfeervol op binnenvalt. Vaak is er tussen de bomen een veldje waar de zon schijnt en waar herders of reizigers zich ontspannen. In de wereld van Koekkoek lijkt het altijd zondagmiddag, hoewel het kan stormen en de figuurtjes dan hun hoed moeten vasthouden bij windvlagen die de bomen doen buigen. Naast de zomerse taferelen maakt hij – soms als dubbelstuk – winterlandschappen en ook die worden nog altijd, bijna honderdvijftig jaar na zijn dood, erg gewaardeerd. Koekkoek is de schilder van onze romantiek, met de beperkingen die daar vanwege het Nederlandse karakter bij horen.

Koekkoek was geen Weissenbruch of Mesdag die net als Koekkoeks eigen leerling Paul Gabriël die onder invloed van de school van Barbizon met hun tijd meegingen en kleurig vastlegden wat ze in het vrije veld zagen. Koekkoek vond dat je harmonie moet scheppen en niet moest overdrijven zoals de Duitse romantici als Caspar David Friedrich – dertig jaar ouder – dat deden. Koekkoeks ideaal zijn de landschappen van Jacob van Ruisdael en Meindert Hobbema.

Die liefde deelde hij met velen aan het begin van de negentiende eeuw. Ook in Duitsland werd Ruisdael vergoddelijkt door invloedrijke kunstenaars als Goethe en Schiller. In Nederland riepen intellectuelen en de koning om een nieuw artistiek en commercieel elan in de geest van de ondernemende Gouden Eeuw. „Dat Koekkoek voortborduurt op de grote landschapsschilders, is een aanvullende verklaring voor zijn enorme populariteit”, zegt De Werd. Voor zijn klanten moet het hebben gevoeld hebben alsof ze Ruisdael een opdracht gaven.

Voor Koekkoek was dat verleden nog vlakbij. De grote veranderingen kwamen pas in zijn tijd op gang, de eerste spoorlijn tussen Amsterdam en Haarlem opende in 1839. Hij tekende één keer een spoorbrug (zonder rokende trein), maar verder hield hij techniek buiten zijn kunst. Al maakte hij graag gebruik van de stoomboten die het reizen over de Rijn een stuk makkelijker maakten, zoals hij schrijft in zijn in 1841 verschenen boek Herinneringen en meedelingen van eenen landschapschilder. De Werd: „Zijn geloof speelde daarbij een rol. De directe weg naar God leidt via de natuur, niet via wat de mensen daar aan toegevoegd hebben.”

Koekkoek was dol op de natuur. Het was voor hem een staalkaart van Gods kunnen en hij heeft talloze schetsen gemaakt van bomen, doorkijkjes, landschappen en mensen terwijl ze bezig waren met hun alledaagse dingen. „Overal vindt de opmerkzame beschouwer der natuur stof”, schreef hij in zijn boek. Niet om exact over te nemen in schilderijen, maar om uit dat basismateriaal een eigen schepping te maken. „De bevallige leugen”, noemde hij dat.

Via een stijl paadje langs de muur van Koekkoeks enorme tuin in Kleef kom je via de Waldstrasse in een ruim beukenbos. Bossen zijn altijd mooier als ze op heuvels liggen, dat vond ook de in Middelburg geboren Barend Cornelis Koekkoek. Hij moet hier zeker gewandeld hebben. Aan de noordzijde van de heuvel staat zo’n dode eik waar hij van hield, met een gegroefde bast en van die wanhopig kronkelende takken waaraan je kunt zien dat leven een strijd is.

In het park zijn diepe dalen en via een bochtig pad, nu vooral in gebruik bij joggers, kom je bij een open plek met een vergezicht over de Rijnvallei. Beneden staat een standbeeld in een ronde vijver en verderop begint een driehonderd meter lang kanaal richting Rijn. Misschien is de natuur hier geen pure natuur. De Sternberg, zoals de heuvel blijkt te heten, is in de zeventiende eeuw door bouwmeester Jacob van Campen verhoogd en voorzien van negen assen in stervorm naar de top. Ook voor hem was de natuur iets dat in goede banen moest worden geleid.

B.C. Koekkoek – de voorletters onderscheiden hem van zestien schilderende familieleden – werd als veertienjarige ontdekt door koning Willem I van Nederland tijdens een bezoek aan Middelburg. Van zijn vader, die verdienstelijke zeegezichten maakte, leerde hij het vak. De koning was onder de indruk en betaalde de studie aan de Koninklijke Academie.

Daarna werkte Koekkoek een tijdje op de Gooise heide voor hij naar Beek bij Nijmegen trok waar hij de heuvels en riviervlakten vond waar zijn hart naar uitging. Daarna woonde hij weer in Amsterdam en Hilversum, waar hij in 1833 trouwde met de dochter van zijn academiedocent, Elise Thérèse Dawaille.

In 1834 verhuisde het paar naar Kleef, net over de Duitse grens bij Nijmegen, en nog meer dan Beek gelegen in een idyllisch landschap met bossen, heuvels, beken en de vlakte van de Rijn, met in de verte Xanten en aan de overzijde van de rivier de heuvels van Elten.

Kleef was een kuuroord in Koekkoeks dagen. Zeer populair bij Nederlanders omdat het met de boot over de Rijn makkelijker bereikbaar was dan bijvoorbeeld Spa of de badplaatsen verderop in Duitsland. Kleef was een van de drie hoofdsteden van Pruisen-Brandenburg. In en rond de stad was nog veel zichtbaar van Johan Maurits van Nassau-Siegen (1604-1679) die na zijn mislukte gouverneurschap van Brazilië zich daar overgaf aan het verfraaien van het landschap. Jacob van Campen en Pieter Post, die ook het Mauritshuis in Den Haag voor Johan Maurits bouwden, legden er parken en tuinen aan die een voorbeeld waren voor Lodewijk XIV. In Berlijn zijn de Tiergarten en de Unter den Linden-laan kopieën van Kleefse voorbeelden.

Koekkoek huurde er eerst een woning, maar toen het internationale succes voor steeds meer geld zorgde, besloot hij iets te bouwen. Het huis in de toen modieuze neoclassicistische stijl was zo’n imposant stadspaleis dat het na 1945, toen vrijwel heel Kleef door geallieerde bommen werd vernietigd, nog een tijdje functioneerde als stadhuis.

Nog steeds maakt het statige pand, waar nu het Koekkoekmuseum gevestigd is, grote indruk. Van binnen is het ruim, vol hoge met goud versierde plafonds. Bij de marmeren entree – het marmer zou een geschenk zijn geweest van Willem II – kijkt Koekkoeks borstbeeld vanuit de hoogte zelfverzekerd op de bezoeker neer. In de salons ligt een prachtig panelenparket. Koekkoek woonde er met zijn vrouw en vijf dochters en soms een inwonende leerling. Zijn vriend Willem II logeerde er en in één van de zalen staat nog de stoel waar volgens de familieoverlevering Willem ooit in zat.

Koekkoek had geen gelukkig huwelijk, weet museumdirecteur Guido de Werd uit brieven van tijdgenoten. „Koekkoek was een moeilijke man, zeer gereformeerd. Er zijn verhalen hoe de familie op zondagen in een indrukwekkende processie naar de gereformeerde kerk onder de Schwanenburg trok. Een bediende droeg de met zilver beslagen Bijbels.”

Koekkoek ging veel op reis, naar de Harz, de Eifel, met Willem II naar diens Luxemburgse privédomeinen – wat een reeks van negen grote schilderijen oplevert – en met vrienden en kennissen naar Italië, de Elbe en andere Duitse streken. Van één van die reizen doet hij gedetailleerd verslag in Herinneringen en meedelingen van eenen landschapschilder. Het bracht hem over de Rijn via ‘Dusseldorp’ en Remagen naar het dal van de Ahr waar hij zestien dagen met drie schildersvrienden wandelingen maakt en onderweg van alles schetst. Het boek staat vol aanwijzingen voor kunstenaars, maar ook roemt hij logement Zum Durchbruch in Altenahr, dat nog steeds bestaat. Het heet nu Haus Caspari, en de frisse rode Ahrwijn smaakt er nog even goed als Koekkoek hem beschrijft.

Koekkoek heeft schetsen gemaakt van de middeleeuwse burchtruïne op de hoge rots boven het stadje. Het is nog steeds een bezienswaardigheid. Je bereikt de burcht via een steil pad. Vanaf daar adviseert Koekkoek zijn lezer door te wandelen naar de hoogte van het Witte Kruis, want daar is volgens hem het uitzicht magistraal. En – echt waar – als ik het houten witte kruis bereik, klinkt uit de bosjes verderop de roep van een koekoek.

„Het uitzigt in het dal [wordt] voor het schoonste van de geheele Ahr gehouden”, schrijft Koekkoek, die om er te komen een lastiger pad moest beklimmen dan ik. Maar als hij er aankomt, barst hij los in een paginalange lyrische beschrijving van het „woest-romantische” landschap met zijn afgronden, bosrijke hoogten, kale rotsen en de rivier de Ahr „als een zilveren slang” in de verre diepte. „Hier kunt gij niet gevoelloos zijn, daar een der schoonste berglandschappen in al de gouden pracht der avondzon voor u uitgestrekt ligt.”

Thuis in Kleef liet Koekkoek in 1843 in zijn tuin een ateliertoren bouwen. Daar moet hij gelukkige uren hebben gewerkt aan zijn schilderijen. Op de bovenste etage van zijn ‘belvedère’ was een terras en een torentje. Het geeft uitzicht op de dominante Schwanenburg, in het noorden en oosten gloort de Rijnvallei, en in het westen zie je de heuvels richting Nijmegen. Koekkoek schilderde een gezicht op Kleef waarop zijn belvedère samen met de kerk en de burcht trots uitsteekt boven de stad.

Dat Koekkoek zich bewust was van zijn status als een van grootste schilders van Europa, blijkt uit niets zo duidelijk als uit het drie meter hoge beeld van Minerva, godin van de kunsten, dat hij bovenop zijn atelier liet plaatsen. Guido de Werd vertelt dat Koekkoek met zijn daad ongetwijfeld verwees naar het beeld van Minerva dat Johan Maurits in zijn park had laten zetten. „Hij vergeleek zich zo met die andere man die Kleef groots op de kaart heeft gezet.”

Koekkoek nam leerlingen aan in Kleef en stichtte een ‘teken-college’ waar Duitse en Nederlandse schilders op af kwamen. In de Duitse kunstgeschiedenis onderscheidt men sindsdien de stroming van de Kleefse romantiek. Of Koekkoek ondanks zijn roem zich onder invloed van de ontwikkelingen in vooral Frankrijk veranderd zou hebben, zullen we nooit weten. In 1858 werd hij getroffen door een beroerte waardoor zijn hand zo onvast werd dat hij niet meer kon schilderen. Wat hij nog wel kon doen was in een tragisch gebroken handschrift jaartallen en plaatsen noteren op oude tekeningen. In 1861 werd hij lid van de Keizerlijke Academie van St. Petersburg en in 1862 vertegenwoordigde hij Nederland op de Wereldtentoonstelling in Londen. In 1862 overleed hij op 59-jarige leeftijd.

Ook zonder die beroerte was Koekkoek waarschijnlijk niet met zijn tijd meegegaan. De grondslag van zijn roem en succes zou hij nooit hebben kunnen verraden. Zijn verzamelaars wisten wat ze van hem wilden en dwongen hem door te gaan, mocht hij al getwijfeld hebben.

Wat we nu hebben is een oeuvre van in totaal 450 schilderijen dat indrukwekkend genoeg is, en wie er oog en gevoel voor heeft, kan door de afwezigheid van grote gebaren daar des te meer emotie van zichzelf in kwijt. Dat is de kracht van Koekkoeks keuze voor balans: hij schept de ruimte waar het oog van de kijker al dromend in mag dwalen.