Ahoy! Een mastbosch!

Twee eeuwen geleden namen de Britten rap heel Walcheren in om op te rukken naar Antwerpen. Dat laatste liep anders af. Over gedonder bij de Schelde verscheen een mooi geïllustreerd boek.

Victor Enthoven (red.): Een haven te ver. De Britse expeditie naar de Schelde van 1809. Vantilt, 299 blz. € 24,95

Een van de fascinerendste voetnoten uit onze vaderlandse geschiedenis gaat over de Britse expeditie naar de Schelde in 1809. Zeshonderd schepen, 44.000 manschappen. Een gigantische onderneming. Over deze expeditie verscheen een meeslepend en fraai vormgegeven boek onder redactie van Victor Enthoven, Een haven te ver.

Tot aan de Zeeslag bij Trafalgar (1805) had Napoleon Bonaparte gedroomd Engeland te veroveren. Vlissingen zou in die oversteek een sleutelrol moeten vervullen, als bouwplaats voor een vloot en als thuishaven. Vanaf 1803 waren de activiteiten in en rond de stad enorm toegenomen, na Trafalgar draaide het vooral om de verdediging van het Koninkrijk Holland en natuurlijk de cruciale havenstad Antwerpen. Op die stad hadden ook de Engelsen het in 1809 gemunt.

Maar eerst was er een drempel die Vlissingen heette. In tegenstelling tot de rest van het Koninkrijk Holland stond deze vestingstad onder direct Frans bestuur, met als commandant generaal Monnet. De verdediging verkeerde in slechte staat. Daarbij had Napoleon voor de oorlog tegen Oostenrijk een groot aantal manschappen aan het Scheldegebied onttrokken. De overgebleven troepen werden daarbij nog eens geteisterd door de Zeeuwse koorts, een milde vorm van malaria.

Gek genoeg reageerde de Franse keizer uiterst laconiek toen hem werd gemeld dat voor de kust van Walcheren tweehonderd zeilen waren waargenomen. Men ging toch niet bleek zien van twintigduizend Britten?

Toch was er sprake van vrees. De Vlissingse stadsonderwijzer Dykshoorn schreef op 29 juli zorgelijk over zeshonderd (!) zeilen voor de kust van Walcheren: ‘De Zee geleek een Mastbosch’. Op 30 juli 1809 om 17.00 landden 3.500 Britse soldaten op het strand bij Breezand. De tegenstand was krachteloos, verliezen leden de Engelsen nauwelijks.

Enkele uren later probeerde de Light Infantery Veere in te nemen, maar stuitten daar op hardnekkige verdediging. Brits scheepsgeschut bombardeerde de stad de hele dag, ’s nachts gaf men zich over. Op het moment dat de Britten de stad binnentrokken werd ook Middelburg ingenomen, dat wegens troepenschaarste niet werd verdedigd. Daarna verliep de opmars voorspoedig, tot de Britten onder het bereik van de kanonnen van de vesting Vlissingen kwamen te liggen.

Op 1 augustus, in twee dagen tijd, hadden de Engelsen bijna heel Walcheren veroverd. Hun verliezen waren te verwaarlozen: niet meer dan 46 doden en 213 gewonden. Op 2 augustus kreeg Monnet een brief van de legerleiding in Parijs met de opdracht te verhinderen dat de Britten posities op Walcheren zouden innemen. Je stelt je onwillekeurig zijn gezicht voor bij het lezen van die directieven.

Vlissingen leek in eerste instantie een taaie veste. Monnet was erin geslaagd verse en ervaren troepen van de Scheldeoverkant te laten komen, de omgeving van de stad was geïnundeerd, de bezetting gereorganiseerd. De Britten omsingelden de stad, richtten geschutsstellingen in, en leken de stad te gaan bombarderen. Daarmee daalde het Franse moreel weer.

Een Franse tegenaanval westelijk van de wallen had veel weg van een wanhoopsdaad. De officieren wilden wel, onder hun subalternen konden volgens sommigen niet meer op hun benen staan van de jenever.

Men schreef zeven augustus. De uitval had drie uur geduurd. Tot 11 augustus bleef het rustig. Toen forceerden tien Britse fregatten een doorvaart door de Westerschelde, twee dagen later begon het bombardement, op 15 augustus capituleerde Monnet. De ravage was enorm. De Oostkerk uitgebrand, de Gasthuisvleugel verwoest, het prachtige 16de- eeuwse stadhuis op de Grote Markt binnen vier uur in een smeulende ruïne veranderd. Toen Napoleon echter op 24 augustus (!) het roemloze einde van Vlissingen ter ore kwam kon hij maar tot één conclusie komen: Monnet en de zijnen waren lafaards.

Congreve-raket

De Engelsen konden nu opzeilen naar Antwerpen, maar begonnen te aarzelen toen ze op een tweede drempel stuitten: de ten noorden van de stad gelegen forten Lillo en Liefkenshoek. Verderop lag een Frans eskader, er waren barrières van boomstammen over de rivier gespannen, meer stroomopwaarts lagen drie Franse linieschepen voor anker. Onder de Engelsen was de Zeeuwse koorts nu echt uitgebroken.

Ondanks het voortvarende begin kreeg de twijfel aan het welslagen van deze enorme maritieme operatie de overhand: ‘So many difficulties to present themselves to our further progress…’ Na ruggespraak met het thuisfront besloot men de zaak af te blazen. ‘Attacking Antwerp far exceeds our means.’ Volgt snelle aftocht, einde verhaal.

Het resultaat is de voetnoot die ik noemde, een onderneming waar nu na 201 jaar een geweldig boek over is geschreven. Een haven te ver is een bundeling van tien stukken van uiteenlopende auteurs die verschillende aspecten van deze 1809-geschiedenis bijzonder leesbaar belichten: bevaarbaarheid en verdedigbaarheid van de Westerschelde, Walcheren en bevolking, de vesting Vlissingen, de expeditie, Koninkrijk Holland, wat de kranten schreven, herbouw in Vlissingen, hulpverlening en schadevergoeding.

Opmerkelijk is wat Hugo Landheer schrijft over het Engelse vernietigingswapen: de Congreve-raket, genoemd naar artillerie-ingenieur William Congreve (1772-1828) . Voor een 2de hoofdlader van de N.A.P. Drentse Raketclub als ik, is het een must, maar voor velen op zijn minst een onbekend hoofdstuk uit de wapengeschiedenis. Al tijdens het Britse bombardement van Kopenhagen in 1807 was er enorme schade mee aangericht, de ravage in Vlissingen ontstond voornamelijk door ditzelfde wapen. Levensgevaarlijk voor degene die hem afvuurde (er ontstond een vuurmassa), maar het effect was zo groot dat de belegerden (onder wie Monnet) moreel bezwaar maakten. Later zouden onder andere Pruisen, Zweden, Denemarken, Polen en Oostenrijk hun legers van raketafdelingen voorzien en ook de Nederlandse artillerie zou zich nog aan (onbevredigende) raketproeven wagen.

Een haven te ver bevat een vloed aan illustraties en vele verrassende details. Zo citeert Peter Blom in zijn Walcheren-bijdrage een observatie van een militair die rond 1806 op het eiland gelegerd was. De visser blijkt er ‘frisser’ dan de landbouwer, die op zijn beurt ‘een onevenredige dunheid der beenen’ vertoont, ‘die men niet zo algemeen onder de visschers van Arnemuiden zal aantreffen’. Een Engelsman valt het op dat iedereen op Walcheren rookt, ‘om iedere vorm van gedachte uit te bannen’. Heerlijk.

Bundels als deze hebben met alle verschillende auteurs vaak een wat uitwaaierend karakter, tegelijkertijd is er vaak sprake van overlapping. Zo niet hier. Een haven te ver is breed in overzicht, kleurig in de details, rijk in plaatwerk.