Zweep de emoties niet op tegen de Grieken

Er was te weinig protest tegen de heftige campagne van Bild tegen de ‘failliete’ Grieken. Het Duitse belang is het beste gediend zonder nieuw nationalisme, schrijft Thomas Klau.

Het debat dat in Duitsland al enige maanden over de financiële bijstand aan de Grieken wordt gevoerd, heeft de Europese gemeenschap schade berokkend. Bovendien heeft het attitudes boven water gebracht waarvan we kort geleden nog mochten hopen dat ze in de afgronden van het Duitse verleden waren verdwenen. Duitslands meest gelezen krant Bild heeft een campagne vol halfwassen zelfgenoegzaamheid en opgezweept nationalisme over mijn land en volk uitgestort: „De bondskanselier bepaalt voor de failliete Grieken de richting.” Een deel van Europa werd de grond in geschreven. Dat terwijl de kindertijd van honderdduizenden bewoners daar voor altijd getekend is door de militaristische barbaarsheid van de Duitse staat. Maar laten we bij de beeldtaal blijven: Als alle Grieken platzak zijn, dan zijn wij allemaal kleinkinderen van de nazi’s. En dús zouden wij zo beleefd moeten blijven ons te onthouden van hetzes tegen vreemdelingen.

Ook al willen sommigen het misschien niet horen: de Tweede Wereldoorlog is geen Jurassic Park-filmpje van de Europese geschiedenis. Hij leeft in de herinnering van miljoenen Europeanen die hem zelf hebben meegemaakt. Hoe heeft de politiek in het herenigde Duitsland zo diep kunnen zinken dat Bild zijn tirades heeft kunnen publiceren zonder dat de politieke elite is gaan steigeren?

Ouderen weten dat in de eerste decennia van de bondsrepubliek een discussie is gevoerd over de vraag of de democratie alleen op economische welvaart steunde. Met andere woorden: dreigde er een terugval op de anti-democratische tradities, zodra de naoorlogse belofte van een jaarlijkse welvaartsgroei niet meer vervuld zou worden? Nu staan wij voor de test: door de problemen rondom het herenigde Duitsland en door de concurrentie met nieuwe grote mogendheden, is de meerderheid van de Duitsers teleurgesteld in hun verwachtingen over stijgende welvaart. Het goede nieuws: de Duitse democratie lijkt stabiel. Het slechte nieuws: de op één na belangrijkste taak van de Duitse politiek om de onfrisse fascinatie met nationalisme en vreemdelingenhaat te overwinnen, staat onder druk.

Sommigen noemen de verandering van het denken ‘normalisering’: de terugkeer tot de club van landen die zogenaamd ‘normale’ nationale belangen najagen. Dat is onzin. Ten eerste getuigt het van verstandsverbijstering om in een tijd van wereldwijde problematiek sentimenteel nationalistische gedragsmodellen tot norm voor de toekomst te verklaren. Ten tweede is de voorstelling als zou West-Duitsland in het tijdvak tussen Adenauer en Kohl-Fischer ervan hebben afgezien om voor zijn eigen belangen in Europa op te komen ahistorisch en onjuist.

Het concurrentiestelsel in de Europese Unie, de groei van de macht van het Europese Parlement, de inrichting van de monetaire unie en de uitbreiding naar Oost-Europa dragen stuk voor stuk meer het stempel van Duitsland dan dat van enig ander Europees land. Het ogenschijnlijk zo altruïstische Duitsland heeft juist door zijn terughoudende stijl meer dan enig ander land de ordening van het Europese continent in de Europese Unie meebepaald. Aanvankelijk ging het er misschien om West-Duitsland legitimiteit te verschaffen als politieke speler in Europa en daarbuiten. Maar sinds Helmut Schmidt is er sprake van wijze belangenpolitiek, van de succesvolle export van Duitse ideeën en modellen.

Wie de eerste vijf of zes naoorlogse decennia nu voorstelt als een tijdvak waarin geldverschaffer Duitsland zich voortdurend ondergeschikt maakte aan de belangen van zijn Europese partners, lijdt aan paranoïde waan. Wij kennen deze paranoia uit de Duitse geschiedenis: de primitieve, kortzichtige en anti-Europese propaganda van dit moment komt overeen met de ‘plaats onder de zon’-ideologie van keizer Wilhelm de Tweede. Toen zorgde juist ‘normalisering’ voor de impulsen die de Germaanse politiek honderd jaar geleden al op een dwaalspoor brachten. Met snoeven proberen zijn overwicht te bewijzen: „Aan onze bondskanselier bijt Europa zich de tanden stuk.” Dat was verbonden met provinciaalse minderwaardigheidsgevoelens: de eeuwige vrees van het Duitse burgermannetje om door sluwe buitenlanders op de een of andere manier om de tuin te worden geleid.

De oorlogen in Joegoslavië hebben onze generatie geleerd dat de geschiedenis gevaarlijk kan zijn. Een van de trieste specialiteiten van het Duitse verleden is dat er sinds de godsdienstoorlogen praktisch geen periode is geweest waarin het Duitse politieke bewustzijn zich positief kon ontwikkelen. Men neme bijvoorbeeld de dertigjarige oorlog, bij uitstek een Duitse oercatastrofe, die zich uitgerekend in de eeuw van het ontstaan van de Europese moderniteit voordeed. Of de vlaag van nationalisme tijdens de strijd tegen Napoleon. Vervolgens het versmelten van de Duitse nationale gedachte met de grenzenloze militaire cultus van de Pruisische staat, de basis voor de waanzinnige politiek van de primitieve Wilhelm de Tweede; de chaotische episode van de Weimar-republiek, gevolgd door de catastrofe die Adolf Hitler heeft aangericht.

Wie naar dit panorama kijkt, wie met voorbijgaan aan Bach en Goethe de Duitse geschiedenis als louter politiek beziet, die moet het tijdvak begonnen met Adenauer (en hopelijk niet afgesloten met diens achterkleinzoon Fischer) als een kostbare erfenis koesteren. Als een historisch wonder, bijna het enige moment dat Duitse politiek in Europa van kloek staatsmanschap getuigde en overwegend fatsoenlijk bedreven werd. Het democratische deel van Duitsland heeft in deze, naar het heet, abnormale decennia er niet van afgezien om zijn belangen op nuchtere, soms ook harde manier te behartigen, maar wel zonder alleen bezig te zijn met de eigen vlag.

De door velen gewenste huidige ‘normalisering’ in de omgang met nationale gevoelen is niets anders dan een bewuste breuk met de enige succesvolle periode uit de jongste Duitse geschiedenis. In bijna geen ander land is dit terugverlangen naar de vermeende normaliteit van een nationalistisch gestemd tijdvak zo gevaarlijk en zo verkeerd als in Duitsland. Waar zijn dan onze Duitse voorbeelden, als wij de kloeke, moderne, verlichte stijl van onze naoorlogse decennia voor verouderd verklaren? ‘Aan onze keizer (pardon: aan onze bondskanselier) verbijt Europa zich de tanden.’ Wilhelminisme van de zuiverste graad. Reactionair, politiek gif, dat in het Duitsland van de 21ste eeuw niet mag voorkomen.

Thomas Klau is hoofd van de Parijse afdeling van de European Council of Foreign Relations. Dit artikel verscheen in het Duitse tijdschrift Berliner Republik.