Leuk, dat koffie schenken. Maar zo missen ze lessen

Scholieren zeggen dat ze stage lopen leerzaam vinden.

Toch kan het zo niet. Vooral zwakke leerlingen lopen een kennisachterstand op.

Scholieren lopen tegenwoordig een maatschappelijke stage. Dat betekent dat zij in de derde of vierde klas van het voortgezet onderwijs tot maximaal zeventig uur vrijwilligerswerk buiten de lessen om doen. De achterliggende gedachte: kinderen leren de samenleving beter kennen, ontwikkelen burgerschapsvaardigheden en ervaren dat werken zonder directe financiële beloning zinvol kan zijn.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt (Onderwijs, CDA) zet zich gepassioneerd in voor dit project. Om draagvlak en betrokkenheid te creëren communiceert ze op een Hyvespagina met leerlingen. Zij heeft bovendien opdracht gegeven voor een onderzoek. Daaruit blijkt dat 71 procent van de deelnemers de stage zinvol vindt en dat 73 procent zegt er ook daadwerkelijk iets van te leren.

Toch is de maatschappelijke stage een vergissing. Hoe ik dat weet? Uit de praktijk. Dit is namelijk de zoveelste politieke onderwijsvernieuwing, zwanger van hetzelfde falen als de grote broers basisvorming en studiehuis.

Kijk, dat leerlingen tevreden zijn over de stage zegt niet zoveel en doet er ook niet toe; scholieren gaan niet over hun eigen curriculum. En als er dan iets in dat programma verandert, gebeurt dat op basis van vragen als: is dit een goed idee, is het uitvoerbaar en hoe zit het eigenlijk met het leerrendement? En ja, het idee is prima, verbonden met het motto van het demissionaire kabinet-Balkenende IV ‘samen leven kun je leren’. Vrijwilligerswerk en daar verslag van doen kan ook daadwerkelijk helpen bij het aanleren van burgerschapsvaardigheden, wat weer past in de algemeen vormende opdracht van de school.

Maar in de uitvoering gaat het mis. Dezelfde staatssecretaris zet namelijk nog een verbeteringswens uit: de prestaties in schoolse kennis en vaardigheid moeten omhoog. Een zwaardere examennorm gaat leerlingen vanaf het volgend schooljaar prikkelen tot harder werken voor een diploma. De eis tot verbetering van de reken- en taalvaardigheid resulteert in een toets-tsunami, die momenteel door de gehele sector rolt.

Allemaal zinvol, maar allemaal tegelijk werkt niet. Een praktijkvoorbeeld. Een gemiddelde en brave havo-4-leerling doet haar zestig uur maatschappelijke stage zonder morren, mist daardoor lessen, maakt bij mij een proefwerk en scoort een diepe onvoldoende. Kan gebeuren, maar ze heeft in mijn vak aantoonbaar te weinig geleerd en ruimte voor herstel ontbreekt, want de ene week heeft ze stage, de andere reken- en taaltoetsen, daarna weer stage, gevolgd door een excursie. En nee, dit is geen incident of organisatiekwestie. De stage komt bovenop het bestaande programma en niet in plaats van een deel daarvan.

Sinds de basisvorming van begin jaren negentig, die een overmaat aan ambitie in veel te veel kleine vakken goot, weten we dat fragmentatie van onderwijsaanbod een belemmering vormt voor leren; vele splinters maken nog geen balk, laat staan een degelijk kennisfundament.

Scholen doen aan zo’n maatschappelijke stage dan ook enkel mee omdat het moet. Voor de subsidie van ruim 100 euro per leerling willen ze best nog even enthousiasme veinzen, maar daarna is het business as usual en schuiven ze het bureaucratische deel zo snel mogelijk af op een stagecoördinator. Die organiseert zich drie slagen in de rondte en promoveert tot pispaal voor collega’s die hun verlies in vaklessen weigeren te nemen.

Ondertussen schenken kinderen in verzorgingstehuizen de koffie in. De goede leerling zal zeggen: ‘zo’n stage is beter dan een les oefeningen maken.’ De slechte verliest het overzicht, valt uit en doet het jaar over. Beiden hadden in dezelfde tijd meer kunnen leren in schoolse kennis en vaardigheid. Een staatssecretaris die krabbelt op Hyves en een tevredenheidsonderzoek met halleluja-statistieken veranderen daar weinig aan.

De invoering van de stage laat zien dat de politiek weinig heeft geleerd van de onderwijsvernieuwingen van de jaren negentig. Weer komt de verandering van bovenaf en leidt politieke ambitie tot fragmentatie van het onderwijsaanbod. Deze versnippering van aandacht belemmert het leren van kinderen in de schoolse kennis en vaardigheid.

De verplichte maatschappelijke stage verdient dan ook een snel einde. Kinderen kunnen namelijk ook leren samenleven in de klas, terwijl ze werken aan een schoolvak. Daarbij rekenen ze wat, schrijven iets. En die maatschappij? Ach, dat gaat toch vanzelf!

Ton van Haperen is leraar, lerarenopleider en publicist.