Hoe een 'ik' betekenis krijgt

Elke woensdag wordt een filosofisch dilemma besproken naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: de veiling van de boeken van Michaël Zeeman.

Vandaag worden de laatste non-fictieboeken uit de bibliotheek van Michaël Zeeman geveild. Gisteren zijn ze er in Leiden mee begonnen, want zo’n gigantische verzameling krijg je niet in één dag onder de hamer. Rond de veertigduizend boeken moet schrijver, journalist en televisiepresentator Zeeman bezeten hebben; zo’n vijfendertigduizend worden van de hand gedaan. Nu de non-fictie, in het najaar het literaire werk.

Er schuilt iets tragisch in de ondergang van zo’n collectie. Samengesteld met zorg, of juist naar het toeval van het moment, vormt ze de weerspiegeling van een leven dat nu in kleine stukjes uiteen wordt getrokken. Onder de hamer van de veilingmeester verandert de bibliotheek langzaam in een ruïne die steeds verder afbrokkelt.

Wat ooit geborgen was in de beslotenheid van de boekenkast, wordt prijsgegeven aan de blikken van het publiek. Zoiets wekt licht een gevoel van schaamte: hetzelfde onbehagen als je kan overvallen bij het zien van een afbraakpand. De intieme binnenruimte ervan ziet zich plots blootgesteld aan een ontluisterende openbaarheid.

Maar erger is dat hiermee een levenswerk ongedaan wordt gemaakt – en daarmee ook het leven dat dat werk voortbracht. Misschien dat daarom een klein deel van Zeemans boekenbezit buiten de verkoop is gebleven. In die resterende vijfduizend boeken leeft zijn ziel misschien een beetje voort. Het zullen de boeken zijn waaraan hij het meest gehecht was of die verbonden waren met bijzondere ervaringen. Voor een gepassioneerd lezer als Zeeman kunnen dat niet anders dan leeservaringen geweest zijn.

Dat blijft een schrale troost – al was het maar omdat juist de overmaat voor Michaël Zeeman zo kenmerkend was. Hij was in alles larger than life en dat weerspiegelde zich ook in de omvang van zijn boekenbezit. Dat te willen bewaren in vijfduizend banden – nog altijd een respectabel aantal – vormt een tegenspraak in zichzelf. Met de veiling zal dus ook het wezen van deze gepassioneerde boekenveelvraat verstrooid raken. Zo ging het een paar jaar geleden met Boudewijn Büch; zo gaat het nu ook met Michaël Zeeman.

Want wat is een mens uiteindelijk? Een verzameling ervaringen, bijeengehouden door een levensverhaal, zegt de Franse filosoof Paul Ricoeur. Wanneer iemand ons vraagt wie we zijn, beginnen we prompt onze geschiedenis te vertellen. We zijn onze eigen historie, verhaald in woorden die niet van ons zijn, maar die we eventjes mogen lenen om ons zegje te doen.

De structuralistische filosofen op wie Ricoeur reageerde, gingen nog een paar stappen verder. Het ‘ik’ is niet meer dan een verzameling van tekens die op een bepaald moment bij elkaar komen, zoals de woorden in deze zin bij elkaar gekomen zijn om iets te vormen wat betekenis heeft. Direct daarna gaan ze weer uit elkaar en zwerven rond in het universum van de taal, tot iemand anders ze oppikt en een nieuwe zin vormt.

Dat dat alles betekenis heeft, is niet te danken aan al die sprekende monden, maar aan het feit dat de taal ons de woorden aanreikt die reeds betekenis hebben, meenden de structuralisten. Ons ‘ik’ is maar een oppervlakteverschijnsel. De kracht van onze woorden steunt op een anoniem mechanisme waarvan wij hoogstens de effecten zijn.

Michaël Zeeman had niet zoveel op met het structuralisme. Het is voor een criticus, een schrijver en zelfs een lezer dan ook nogal pijnlijk te moeten erkennen dat de betekenis van zijn woorden ontspringt aan iets anders dan hijzelf. Wat de structuralisten aan de taal toeschreven, kwam overeen met wat Freud zei over het onbewuste. De conclusie was in beide gevallen dezelfde: we zijn geen baas in eigen huis.

Toch weerspiegelt zich in het lot van Zeemans bibliotheek iets van die structuralistische mise-en-scène. Hij was zijn boekenverzameling. Je kon je hem niet anders voorstellen dan als ‘Zeeman-met-boeken’: de toepasselijkste programmatitel die de Nederlandse televisie ooit heeft gekend. Maar juist die boeken waren van alle kanten tot hem gekomen. Hij had ze misschien met zorg uitgezocht, maar ze kwamen wél van elders: van hun schrijvers, hun redacteuren en uitgevers, van de handelaren die ze verkochten, en de antiquaars die ze opnieuw verkochten.

Vanuit een grotendeels anonieme boekenmarkt belandden ze ten slotte op Zeemans planken, om voortaan te getuigen van de persoon die hij, zijn bezitter, was. Hij koos ze, maar zij vormden hém. Hij maakte hun woorden tot de zijne, met een citaat hier, een gedeclameerd gedicht daar. Zelf beweerde hij dat hij er meer dan duizend van uit zijn hoofd kende.

En nu vliegen ze opnieuw uit, de wereld in en de boekenmarkt op, intussen wel wat rijker geworden door hun tijdelijke verblijf in Zeemans kasten. Er staat misschien een naam of aankoopdatum in, er zullen glossen in de kantlijn geschreven zijn, uitroep- en vraagtekens waar zijn aandacht plotseling geprikkeld was. De nieuwe lezer zal zich ongetwijfeld afvragen wat Zeeman bij die passage wel gedacht zou kunnen hebben.

Want boeken circuleren net als woorden en ook zij blijven daar niet onbewogen onder. De betekenis die ze ooit gekregen hebben in een pregnante zin of bij een bijzondere gebeurtenis blijft aan hen kleven: at your service of yes we can zullen nooit meer de neutrale uitdrukkingen zijn die ze tot voor een paar jaar nog waren. Het gebruik van woorden verrijkt en verruimt hun betekenis, verklaarde de filosoof Jacques Derrida – evenmin een denker op wie Zeeman erg dol was.

Des te ironischer is het dat de boeken die nu opnieuw over de wereld verstrooid zullen raken, juist dankzij die wet hun meerwaarde krijgen. Niet omdat zij voor bibliofielen zo kostbaar zullen zijn. Maar omdat ze ooit van Zeeman zijn geweest en we ze daarom zullen lezen met in het achterhoofd de vraag: wat zou híj ervan gevonden hebben. We lezen ‘zijn’ boek – ook al werd het niet door hem geschreven is het nu letterlijk niet langer ‘van hem’.

Wat van Zeeman rest zijn de jaren waarin die boeken bij elkaar stonden om zijn ziel te vormen: een samenraapsel van bijeengescharreld papier dat hij maar heel even het zijne mocht noemen. Zij waren de tekens die zijn naam spelden en die nu uiteenvallen, om in andere boekenkasten een nieuw ‘ego’ te gaan vormen, van een nieuwe lezer. Wat blijft is het verhaal van die collectie, die nu geschiedenis geworden is. Want het wezen van iemand ligt in zijn levensverhaal en het wezen van de beroepslezer ligt in de geschiedenis van zijn boeken. Die lezend, lezen we hém. Zijn ziel lag niet besloten in de diepten van zijn denken, maar huisde in de eerste plaats in de boeken die zich om hem heen verzamelden. Daarin kreeg zijn ‘ik’ betekenis en werd hij wie hij was.

Dat is tegelijk troostend en onthutsend. Veel méér dan de toevallige verknoping van een reeks van woorden, boeken en gebeurtenissen zijn we uiteindelijk niet. Ons ‘ik’ ligt aan de oppervlakte, en is juist daarom net zo kwetsbaar en tijdelijk als een privé-bibliotheek die met de dood van de eigenaar ophoudt te bestaan.

Maar aan die oppervlakte heeft ons leven misschien een verschil gemaakt dat zijn sporen nalaat. Als de boeken van Michaël Zeeman verstrooid zullen zijn als zijn as, zal bij deze of gene antiquaar een koper misschien een titelblad opslaan, zich hem herinneren en het boek anders gaan lezen dan hij ooit gedaan zou hebben.

Rob Wijnberg is drie maanden met verlof. In mei zal Ger Groot hem vervangen.