De Partij voor de Dieren is er voor de hele planeet

Nooit eerder is er in de Tweede Kamer zoveel gepraat over dieren als nu.

En dat komt door de Kamerleden van de PvdD. Deel 2 van een serie.

Natuurlijk zijn mensen ook belangrijk, maar voor hen zorgt de politiek al. De dieren hebben niemand.

Nu ja, tot voor kort. Bij de Kamerverkiezingen van 2006 behaalde de Partij voor de Dieren twee zetels. Samen met Eerste Kamerlid Niko Koffeman zijn de Tweede Kamerleden voor de PvdD wereldwijd de enige volksvertegenwoordigers die in een nationaal parlement de belangen van dieren verdedigen.

De meest uiteenlopende vormen van dierenleed brengen ze onder de aandacht. Zoals het benarde leven van een goudvis in een ronde vissekom of de rage in Engeland om egels in een damestas mee te zeulen. En wat doet de regering aan de plezierjacht van de Oranjes? Bovendien moet er snel een wet komen tegen het gebruik van prikkeldraad; beesten verwonden zich eraan.

Maar de partij beperkt zich allesbehalve tot dit soort praktische kwesties van dierenleed. Keer op keer maakt partijleider Marianne Thieme duidelijk dat het belang van dieren samenvalt met dat van mensen, wellicht niet op de korte termijn, maar zeker op de lange.

Kern van de boodschap: als de wereld in het huidige groeitempo doorgaat met het eten van vlees, raakt de aarde onleefbaar. Uitgangspunt: mensen mogen niet meer aan de aarde onttrekken dan die kan leveren.

Dat uitgangspunt heeft nogal wat consequenties. Zo zouden de inwoners van het meest veedichte land van de wereld (ja, Nederland) aanzienlijk minder dierlijke en aanzienlijk meer plantaardige eiwitten moeten nuttigen, omdat het houden van dieren voor menselijke consumptie een enorm beslag legt op natuurlijk hulpbronnen.

Thieme en de haren blijken altijd zo een paar cijfers uit de mouw te kunnen schudden om dat te illustreren. Eén daarvan: 50 procent van de wereldgraanvoorraad wordt opgeslokt door de veehouderij.

Op korte termijn wil de partij deze omslag in ons dieet bereiken met onder meer een ‘vleestaks’ van 2 euro per kilo en het schrappen van de btw op biologische producten. Op de iets langere termijn met het afschaffen van de bio-industrie en het opdoeken van het ministerie van Landbouw, dat volgens de dierenpartij slechts de belangen behartigt van de uit haar voegen barstende landbouwindustrie.

Het verwijt dat de partij zich met futiliteiten bezighoudt, snijdt daarom geen hout. Sterker, wie werkelijk verandering wil, zit goed met een stem op de Partij voor de Dieren, want dat is zonder twijfel de meest radicale partij in de Kamer; het gaat de partij om grote structurele veranderingen.

Zo moet het hele concept van economische groei zoals politici en economen dat momenteel hanteren, op de helling. Reden: de kosten voor dier en natuur zijn er niet in verdisconteerd. Ook moet het gebruik en de import van hout, soja en palmolie aan banden worden gelegd. Een aparte klimaatwet moet voor een drastische reductie van de uitstoot van broeikasgassen zorgen.

Dus wat single-issue-partij? Senator en brein achter de partij Niko Koffeman: „Andere partijen denken louter aan het economische belang op korte termijn. Dus dát zijn de single-issue-partijen. Wij niet. Eigenlijk zijn wij een partij voor de hele planeet.” En dus spreekt het verkiezingsprogramma over een „planeetbrede visie” in plaats van een „menscentrale aanpak” van de crisis. Het moet afgelopen zijn met de gedachte: na ons de zondvloed.

Maar is je stem niet weggegooid als je op een partij met twee zetels stemt? Ook dat is maar de vraag. Neem die vleestaks. Toen Thieme er voor eerst mee kwam, wees minister van Landbouw Gerda Verburg (CDA) die rigoureus af. Maar enkele maanden later beloofde de premier er serieus naar te kijken, op aandringen – zo denkt de PvdD – van toenmalig vicepremier en vegetariër Wouter Bos.

Inmiddels is zo’n vleestaks een van de maatregelen die de ambtelijke werkgroepen ter overweging geven en hebben de partijen D66, ChristenUnie en GroenLinks het voorstel in hun verkiezingsprogramma opgenomen.

Dankzij de partij is ook het budget voor alternatieven voor dierproeven de afgelopen jaren verdubbeld: van 900.000 euro naar ruim 2 miljoen euro per jaar.

Natuurlijk zijn er kanttekeningen te plaatsen. En gezien de opwinding die in de partij is ontstaan over de beslissing van de kiescommissie om het Kamerlid Esther Ouwehand niet opnieuw op de kandidatenlijst te zetten, lijkt de partij de eigen grootste vijand.

De partijvoorzitter, fractievoorzitter én lid van de kiescommissie Marianne Thieme wil de PvdD, die nog jong en onervaren is, centraal leiden, om zo interne discussies te vermijden die de traditionele partijen dikwijls verdelen.

Maar het is de vraag of partijleden die werkwijze willen accepteren. Zo niet, dan zou de kleine, jonge partij snel kunnen imploderen, zeker nu de bekende Nederlanders die in 2006 hun steun openlijk beleden (Maarten ’t Hart, Kees van Kooten), dit keer minder in beeld zijn.

Maar de dierenstemmer hoeft niet bang te zijn dat de invloed van de partij in Den Haag te klein is. Nog nooit werd er in de Tweede Kamer zoveel over dieren gesproken als in de afgelopen drie jaar. Joop Atsma, Kamerlid voor het CDA, verzuchtte eens dat debatten over landbouw „tegenwoordig voor 80 procent over dieren gaan.” Thieme reageerde direct: „Ja, en dat is ook hard nodig in een land waar jaarlijks 500 miljoen dieren na een kort en ellendig leven sterven in de bio-industrie.”

Weer zo’n cijfer.

En als dit allemaal nog niet genoeg reden is om op de Partij voor de Dieren te stemmen, doe het dan om het vermogen van Thieme om in pakkende oneliners te spreken.

Voorbeeld? Eentje dan. „We offeren dieren massaal op het altaar van de economie.”

Deze serie belicht de komende weken de politieke partijen in de aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen van 9 juni. Van de serie is ook een boekje gemaakt: ‘Verkiezingswijzer’ door Joost Oranje e.a., 128 blz. 9,95 euro