Bancaire schuldvraag

Dat er onweer op komst was voorvoelden de financiële autoriteiten in Nederland al in de zomer van 2007. Maar toen het een jaar later zover was, leek het toch of diezelfde autoriteiten door de bliksem werden verrast. Alle verloven werden ingetrokken om de brand te blussen. Maar van strategie was amper sprake. Elke dag was er één.

De parlementaire commissie die onder leiding van Tweede Kamerlid De Wit (SP) het financiële stelsel heeft onderzocht, bevestigt dat beeld. Het algemene oordeel van de commissie spoort met een oude Nederlandse traditie: omdat iedereen medeverantwoordelijk is, is niemand echt verantwoordelijk.

Zo konden de banken, aangespoord door een jubelende bonuscultuur, steeds meer risico’s nemen, mede doordat de grootste wisten dat de overheid hen niet failliet kon laten gaan op straffe van een systeemcrisis. Die cultuur is volgens de commissie nog steeds niet voldoende teruggedrongen. In de bancaire sector is te weinig zelfreflectie en -kritiek.

Omgekeerd waren de autoriteiten te huiverig om actie te ondernemen. Toen ABN Amro door een hedgefonds op het hakblok gelegd werd, zagen ze geen mogelijkheden splitsing te voorkomen. Op het ministerie van Financiën was vicepremier Bos koud gearriveerd of hij moest al een besluit nemen over een veto. Bij De Nederlandsche Bank (DNB) vreesde president Wellink dat hem hetzelfde zou worden verweten als de Italiaan Fazio, die de overname van Antonveneta door ABN Amro wilde blokkeren. Ook in de Icesave-affaire reageerde DNB weer te passief, uit angst buiten de geijkte juridische paden te treden.

De commissie beseft dat de scheidslijnen dun blijven. Het ‘laisser faire’ van voor de kredietcrisis was uit de hand gelopen. Dat wil niet zeggen dat totale controle het antwoord is.

Het gebrek aan voorspellend talent bij het Centraal Planbureau (CPB), dat de commissie signaleert, bewijst dat onzekerheid nooit te elimineren is. De aanbeveling dat DNB en CPB jaarlijks regering en parlement informeren over de trends illustreert de smalle marges. De commissie komt dan ook tot bescheiden beleidsvoorstellen die sporen met de internationale communis opinio.

Dat wil niet zeggen dat daarmee de kous af is. De samenleving eist rekenschap. Als dat wordt genegeerd, zoals ook bankiers voor de commissie-De Wit hebben gedaan, kan deze maatschappelijke wens omslaan in wrok en ressentiment.

Enige haast is dus geboden. Het plan om een tweede onderzoek te doen, nu als parlementaire enquête naar de staatssteun voor de banken, is daarom eerder politiek dan een goed idee. Beter zou het zijn geweest als de commissie-De Wit een echte enquête had kunnen doen. Maar het tweede deel nu van de weeromstuit als enquête houden, louter om getuigen onder ede te kunnen horen, is mosterd na de maaltijd.

Wat zo’n enquête oplevert, is bovendien de vraag. Enquêtes hebben vaak geleid tot waarheidsvinding. Maar die tijd is het parlement nu niet gegund. Want ook volgens de commissie kan een bankencrisis zo de kop weer opsteken.