Vrouwentijd in het Romeinse keizerrijk

De ideale Romeinse vrouw bleef buiten beeld. Maar in de eerste keizersdynastie traden vrouwen wel naar buiten. Nero zette zelfs zijn moeder op een munt.

De eerste Romeinse keizerin Livia werd om haar sluwheid ‘Odysseus in een jurk’ genoemd, door de Romeinse historicus Suetonius. En van de keizersdochter Julia zegt de filosoof Seneca dat ze schaamtelozer dan schaamteloos was. Over keizerin Agrippina – moeder van de beruchte keizer Nero – verhaalt Tacitus dat ze ‘als alle vrouwen graag goed nieuws wilde geloven’.

Deze feitjes zijn niet zo maar wat historische anekdotes maar tekenen van beeldvorming van vrouwelijke leden van de eerste Romeinse keizerlijke dynastie. Dit Julisch-Claudische huis deelde tussen 27 vóór en 69 na Christus de lakens uit in Rome. Voor het eerst in de Romeinse politiek speelden in die nieuwe keizersdynastie ook vrouwen een publieke rol. En dat leidde tot zichtbare spanningen in de Romeinse samenleving. Dat is de conclusie van historica Lien Foubert, die woensdag 12 mei aan de Radboud Universiteit in Nijmegen promoveert.

Beeldvorming en zorg om imago waren van groot belang in de Romeinse politiek. Dat ‘moderne’ aspect van de klassieken is een centraal onderzoeksthema van de afdeling Oude Geschiedenis van de Radboud Universiteit Nijmegen.

Foubert richt nu de aandacht op deze vroege groep keizerlijke vrouwen. „Voor de Romeinen waren vrouwen altijd het zwakke geslacht geweest”, aldus Foubert. Vrouwen bleven hun hele leven wettelijk onder toezicht, eerst van hun vaders, later van hun echtgenoten of andere mannelijke familieleden. De ideale vrouw was een matrona, een vrouw die thuis bleef, die een goede, volgzame echtgenote was, die voor de kinderen zorgde en zich verder bezighield met lanam facere, het Romeinse equivalent van breien en naaien. Foubert wijst erop dat de werkelijkheid genuanceerder was. „Sinds de Punische Oorlogen (derde en tweede eeuw voor Christus) waren er vrouwen die hun eigen zaken deden en een publiek leven leidden. Maar uit niet-literaire teksten zoals grafschriften blijkt dat aan het begin van de keizertijd de ideale vrouw nog steeds de echtgenote en moeder was die het huishouden verzorgde.”

Met dat stereotiepe ideaalbeeld kregen ook die nieuwe keizersvrouwen te maken. „Het verschil was dat zij ook ‘publieke’ vrouwen moesten worden en daadwerkelijk op de voorgrond traden, omdat door een voortdurend tekort aan mannelijke erfgenamen zij voor de continuïteit en legitimatie van de dynastie moesten zorgen.”

Dat begon al tijdens Augustus, de eerste keizer. Toen hij nog Octavianus heette, had hij uit een eerste huwelijk alleen een dochter, Julia. Zijn tweede huwelijk, met Livia, bleef kinderloos. En dus zat er voor hem niets anders op dan Livia’s twee zonen uit een eerder huwelijk te adopteren en een van hen, Tiberius, met zijn dochter te laten trouwen.

De situatie schiep voor Augustus en zijn ‘spindoctors’ een dilemma. Aan de ene kant afficheerde hij zich graag als de man van normen en waarden die de Romeinen na de moord op Caesar en de burgeroorlog de goeie ouwe tijd van de Republiek zou teruggeven. Aan de andere kant moest hij inbreuk plegen op de gevestigde ideeën door de vrouwen in zijn familie een publieke rol te geven.

Om ervoor te zorgen dat zo min mogelijk aan het ideaalbeeld werd getornd werden Augustus en Livia als het perfecte echtpaar verbeeld. Verder werd erop gelet Livia met eenvoudige haardracht en in de verhullende stola, de matronakleding bij uitstek, af te beelden.

Tiberius beval na de dood van Augustus en Livia de Senaat af te zien van de echte vergoddelijking van zijn moeder – die Augustus als vanzelfsprekend wel ten deel viel. Het was een duidelijk teken dat ook Tiberius voorzichtig met de nieuwe vrouwenrol omging. Maar ook de slechte relatie die hij met zijn moeder had, kan een rol hebben gespeeld. Opvallend is dat Tiberius, net als Augustus, geen levende keizerlijke vrouwen liet afbeelden op munten, indertijd een belangrijk propagandamiddel.

Tiberius’ opvolger Caligula, die zijn drie zussen op een munt liet zetten, was de eerste die dat wel deed. Maar Caligula koos er nog wel voor om hen zo klein af te beelden dat herkenbare gelaatstrekken ontbraken. Pas Claudius (keizer van 41 tot 54 na Chr,) durfde het aan het portret van zijn echtgenote herkenbaar op een munt te laten slaan. En toen Nero (keizer van 54 tot 69) een reeks munten liet slaan waarop zijn moeder Agrippina een gelijkwaardige plaats innam, zag hij zich genoodzaakt een nieuwe reeks te slaan waarin zijn moeder weer op het tweede plan stond.

Dat latere auteurs als Tacitus (ca. 56-117) en Suetonius (69/70- 140) de keizerlijke vrouwen nogal eens veroordeelden en voor hen en hun rol aan het hof gemeenplaatsen gebruikten die vroeger alleen werden gebruikt om mannen te karakteriseren, laat volgens Foubert nog eens extra zien dat de openbare rol van de vrouwen als bedreigend voor de sociale orde werd gezien. „Latere keizers uit de eerste en tweede eeuw hebben hun vrouwelijke familieleden zo veel mogelijk buiten beeld gehouden. En als ze toch werden afgebeeld dan in associatie met zaken als deugdzaamheid. Pas in de derde eeuw met Julia Domna, de vrouw van Septimius Severus, treedt weer een vrouw op de voorgrond.”