Verrassende bekroning Dewulf

Gedoodverfd winnaar Tom Lanoye had het nakijken. De Libris-jury bekroonde gisteren voor de derde keer op rij een outsider onder de genomineerden: Bernard Dewulf, met ‘Kleine dagen’.

En weer won niet de favoriet. De 24ste Libris Literatuur Prijs werd gisteravond in het Amstel Hotel uitgereikt aan de Vlaming Bernard Dewulf (1960), voor zijn novelle Kleine dagen. Voor de derde achtereenvolgende keer ging de grootste prijs voor verhalende fictie (50.000 euro) naar de outsider onder de genomineerden. Tom Lanoye, gedoodverfd winnaar met zijn moeder-en-zoonverhaal Sprakeloos, had het nakijken – net als vorig jaar Charlotte Mutsaers, en in 2008 Marjolijn Februari.

Dewulf toonde zich op zijn zachtst gezegd verrast. Voorafgaand aan het Librisdiner – kwartel, asperges, eendeborst en taart – had hij op de vraag naar zijn verwachtingen voor de avond geantwoord: „Geen enkele.” Hij had de boeken van al zijn concurrenten gelezen, had vooral lof voor de roman Ruw van de afwezige Marie Kessels, en dankte na ontvangst van de prijs uit handen van juryvoorzitter Hans Weijers omstandig zijn gezin, „dat mij heeft laten schrijven, vooral op zondag”.

Dat gezin, bestaande uit vrouw, zoon en dochter, is ook het onderwerp van de korte stukken die samen Kleine dagen vormen. In de ‘laudatio’ die jurylid Aleid Truijens tijdens het diner uitsprak, werd Dewulf geprezen om zijn „grote moed om het allergewoonste tot literatuur te maken”. In het juryrapport werd daaraan (‘unaniem’) toegevoegd dat zijn boek het ‘stilistisch kroonjuweel’ van de lijst was. Niet alleen ‘de grote precisie’ van Kessels en ‘het adembenemend mooie monument’ van Lanoye moesten het daartegen afleggen, maar ook de ‘wervelende roman’ Terug naar Walden van Walter van den Broeck, de ‘subtiel opgebouwde en beklijvende’ verhalen van Mensje van Keulen en de ‘ontregelende kafkaëske roman’ De bewaker van Peter Terrin.

Het merendeel van het publiek in het Amstel Hotel leek zo mogelijk nog meer verrast over de keuze van de jury dan de winnaar zelf. Iedereen gunde Dewulf zijn prijs, niemand had er rekening mee gehouden. Ook al omdat Kleine dagen als poëtisch non-fictieboek formeel gesproken niet valt onder de ‘literaire fictie’ die de Librisprijs statutair tot zijn terrein rekent. Overigens geldt dat ook voor het (auto)biografische boek van Lanoye over zijn overleden moeder. Puristen hadden dan ook hun kaarten gezet op Ruw, De bewaker of Een goed verhaal.

Voor Tom Lanoye was het de tweede keer binnen een maand dat hij als favoriet een literaire feestzaal binnenging en er als verliezer uitkwam. Eerder greep hij naast de Gouden Uil (die naar Cees Nooteboom ging), wat hij naar eigen zeggen erger vond omdat hij zijn eerste Uil (in 2003 voor Boze tongen) had gekregen toen zijn moeder nog leefde en daar graag een voor een boek over zijn moeder aan had toegevoegd. Hij maakt nog wel kans op de AKO-prijs, die in de herfst wordt uitgereikt.

Bernard Dewulf werd nu de vierde Vlaming (na Brigitte Raskin, Hugo Claus en Dimitri Verhulst) die de jaarlijkse lenteprijs ontving – en daarbij de winnaar van de wedstrijd Holland-België die de commentatoren in de shortlist van dit jaar hadden gezien. Maar Dewulf verwierp zo’n literair-nationalistische benadering. „Is mijn boek Vlaams? Ik weet het niet”, zei hij Hollands nuchter voordat hij naar de camera’s van Nova werd weggetrokken.

Lees de recensie van ‘Kleine dagen’ op nrcboeken.nl