Regeren in crisistijd

Regeren loont niet. Bij deelstaatverkiezingen in Noordrijn-Westfalen heeft de christelijk-liberale regering van de Duitse bondskanselier Merkel een grote nederlaag geleden. Haar ‘zwart-gele’ coalitie, die ook in de deelstaat aan de macht was, is nu haar meerderheid in de Bondsraad kwijt.

Het verlies in Noordrijn-Westfalen komt voor rekening van de christen-democraten. De CDU van minister-president Rüttgers verloor zondag 10 procentpunt en heeft met ruim 34 procent van de stemmen nagenoeg exact evenveel aanhang als de licht verliezende SPD. Maar ook de FDP moet zich de uitslag aantrekken. De liberalen, die tegen beter weten in blijven ijveren voor belastingverlaging, zijn er niet in geslaagd de afvallige CDU-kiezers aan zich te binden en bleven onder de 7 procent steken.

De deelstaat, met 18 miljoen inwoners de grootste van de Bondsrepubliek, heeft zo een ruk naar links gemaakt. Ten gunste van de Grünen, die hun electoraat zagen verdubbelen tot 12 procent, en Die Linke, die voor het eerst de Duitse kiesdrempel overschreed.

Een werkbare politieke meerderheid heeft dat echter niet opgeleverd. De Grünen kunnen SPD noch CDU aan een meerderheid helpen. Beide coalities komen één stem tekort. De SDP, die de lichte terugval als een overwinning vierde, staat nu voor een dilemma: of een ‘grote coalitie’ met de CDU dan wel in zee met erfvijand Die Linke.

Verwarring is het gevolg. En niet alleen in deze deelstaat of Duitsland. Er lijkt sprake van een trend, waaraan alleen het Italië van Berlusconi zich onttrekt.

Vorige week werd de regerende Labourparty in Groot-Brittannië gestraft. Natuurlijk, die nederlaag is te wijten aan scheidend premier Brown en de arrogantie die er na 13 jaar macht onvermijdelijk in was geslopen. Datzelfde geldt voor Hongarije, waar de socialisten er een economische en bestuurlijke puinhoop van hadden gemaakt en vorige maand zo goed als gemarginaliseerd zijn. En mogelijk ook voor Frankrijk, waar de UMP van president Sarkozy, deze maand drie jaar in functie, bij regionale verkiezingen in maart zo goed als weggevaagd werd.

Maar arrogantie is amper verklaring voor Griekenland waar de socialisten vorig jaar de conservatieven versloegen en premier Papandreou nu een beleid moet voeren dat haaks staat op de verkiezingsbeloften. En evenmin voor Nederland dat nu demissionair wordt geregeerd. De opiniepeilingen bieden geen klaarheid, behalve dan dat er na de verkiezingen van 9 juni geen tweepartijencoalitie kan worden gevormd.

Elke verkiezing heeft haar eigen specifieke kenmerken. Soms gaat het om een keuze voor de macht, dan weer om een waarschuwing aan de macht. Maar toch. De burgers in Europa kiezen kennelijk liever voor nog onbevlekte oppositiepolitiek dan voor beproefde regeringspartijen. En ze nemen eventuele versnippering, zoals in Duitsland waar Die Linke bijna overal een bedreiging voor de SPD is geworden, op de koop toe. Dat is niet goed voor de bestuurlijke coherentie, die in crisistijd juist zo noodzakelijk is.