Israël mag tot OESO toetreden

Israël mag toetreden tot de OESO, de organisatie van rijke industrielanden. Dat hebben de 31 lidstaten van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) gisteren besloten.

De Israëlische premier Benjamin Netanyahu zei gisteren op een persconferentie dat hij de toetreding ziet als „een prijs”. Israël heeft de afgelopen maanden een sterke lobby gevoerd voor een plek in de organisatie.

Het land heeft daar niet zozeer een economische, maar vooral een politieke reden voor. Sinds het uitbreken van de Gaza-oorlog, in de vorige winter, is Israël internationaal in toenemende mate geïsoleerd geraakt. De verhoudingen met de Verenigde Staten, de Europese Unie en de Arabische wereld zijn verder bekoeld door de voortgaande bouw van joodse nederzettingen in bezet Palestijns gebied. Nu Israël mee mag praten met de rijkste industrielanden hoopt het uit het isolement te komen.

Aan het besluit van de OESO gingen luide protesten vooraf van de Palestijnse Autoriteit. Premier Salam Fayyad zei dat Israël niet toegelaten mocht worden, omdat de economie van het land voor een groot deel is gebaseerd op export uit nederzettingen, die illegaal zijn volgens het internationaal recht.

Israël moet van de Europese Unie aangeven welke producten afkomstig zijn uit nederzettingen, maar weigert dat te doen. Sommige landen, met name Noorwegen en Ierland, aarzelden daarom om hun steun te geven, maar gingen uiteindelijk toch akkoord. Behalve Israël treden ook Estland en Slovenië toe.

Israël kreeg in januari een ronduit slecht rapport van de OESO. Als het zou toetreden, zou Israël veruit de zwakste economie van de organisatie hebben, stond in dat rapport. Israël is sterk gesegregeerd: ultraorthodoxe joden en Palestijnen in Israël profiteren niet of nauwelijks van de economische groei van de laatste jaren. Bijna een op de drie kinderen in Israël leeft onder de armoedegrens. Alleen met de elite aan de kuststrook van Israël gaat het beter.