Hoe je een ruimte heilig maakt

Waar: oude collegezaal in Nijmegen die omgevormd is tot kerkruimte

Wie: door Pim van Dijk, liturgisch vormgever te Zutphen

Tempels worden in India zelden in één keer gebouwd. Een heilig man hoeft enkel een steen of boom aan te wijzen: tempel geopend. De mensen brengen er bloemen en vruchten, binden gelukstouwtjes, geven donaties. Eerst wordt daarvan een vloer gemetseld, dan wat muurtjes, een Godsbeeld, een dak, een verhoogd altaar: tempel staat nu in volle bloei. Als de oorspronkelijke heilige man sterft en geen bevlogen vervanger heeft, raakt de tempel in verval. Niemand komt er nog bidden en niemand vindt dat erg. Hindoes denken cyclisch.

In monotheïstische godsdiensten is de gebedsplaats een zaak van groot gewicht. Elk dorp heeft een kerk of moskee die met zorg wordt gebouwd en onderhouden. Toren of minaret zijn heilige symbolen, daar worden kosten noch moeite op bespaard. Maar hoe zit het met het interieur? Bij een moskee is het vrij makkelijk: de gebedsruimte is in de islam per definitie een lege ruimte. Er zijn alleen de gebedskleedjes waarmee je variatie kunt aanbrengen, en ook die is maar beperkt, want aan regels gebonden.

Het ontwerp van een christelijke kerk is een heel andere kwestie. Er is een altaar, een doopvont, een ambo, een biechtstoel, er zijn banken en stoelen, beelden, kruisen, ramen, daar zou je allemaal iets leuks van kunnen maken. Maar het is ingewikkelder dan het lijkt: hoe je van een ruimte een heilige ruimte maakt.

In Nederland is er maar één persoon die daar dag en nacht over nadenkt: Pim van Dijk, liturgisch vormgever te Zutphen. We spreken af in de studentenkerk in Nijmegen. Hij studeerde ooit bouwkunde en ging na die studie naar Amerika, waar hij kwam te werken bij een oom die glas-in-loodramen maakte. In 1985, toen de paus de VS zou bezoeken, werd hij gevraagd een kerk in New Orleans in te richten. Hij had geen idee hoe dat moest, ging af op zijn intuïtie en zijn nog beperkte kennis van het katholicisme: de doopvont, ja, daarachter kwam een muurtje met een golvend motief, want het gezegende water en zo. Maar een hoogleraar architectuur uit Chicago zag het resultaat en vond het afschuwelijk. Te letterlijk, te figuratief, te veel decoratie. Tja, nu wist hij hoe het niet moest.

Van Dijk verdiepte zich in de geschiedenis van kerken en sacramenten, volgde zomercursussen, begon te begrijpen wat verschillende denominaties wensten, wat de verschillende generaties aansprak.

Hier in Nijmegen kreeg hij een grote collegezaal aangeboden: maak hiervan een kerk. Dat deed hij tamelijk rigoureus, door muren en delen van het dak weg te laten slaan. Door het oostelijke licht binnen te laten, lichte stoelen te gebruiken in plaats van kerkbanken, in een cirkel rond altaar en katheder. Veel glas en steen en metaal, een fikse doopvont, een witte plek waar precies het licht op valt, waardoor een plaats van aandacht ontstaat, zoals hij zegt. De bisschop had zijn twijfels, de kerk zag er wat te modern uit misschien, maar Pim van Dijk won er een internationale prijs mee.

Niet altijd heeft hij zoveel vrijheid. Acht kilometer verder, in Groesbeek, mocht Van Dijk de monumentale protestantse kerk inrichten. Hij mocht hier natuurlijk geen muren wegslaan, en ook van het orgel en de oude preekstoel moest hij afblijven. En ze wilden aanvankelijk een stevige houten tafel in het midden. Van Dijk maakte ontwerp na ontwerp, maar men was er niet tevreden mee. Ten slotte deed hij het op zijn manier: de hoge, cementkleurige muren die onaf aandoen liet hij zo, net als de bruine vloertegels en de sprankelende kroonluchters. Maar er kwamen lichte blauwe stoelen en in het midden een imposante bronzen tafel met glazen blad. Toen zag iedereen het: dit was een heilige ruimte.

Elke veertien dagen schrijft Anil Ramdas over geloof. Reacties: ramdas@nrc.nl