Hangend aan het wiel van de ploeteraar

De Giro heeft ons land weer verlaten. Als Nederland op zijn kop staat door een evenement is het enthousiasme aanstekelijk. Wel realiseerde ik me zaterdag op weg naar de film iets te laat dat de Giro-route langs de bioscoop liep, zodat ik vanachter een dranghek weliswaar mismoedig naar de bioscoop kon kijken, maar door de omweg van loopbruggen en bootjes zeker niet op tijd bij de film zou arriveren.

Wielrennen heeft iets sympathieks, vind ik. Dit komt waarschijnlijk doordat mijn vader me ooit het boek De Renner van Tim Krabbé leende. Ik vond het prachtig, al werd de leeservaring zelf enigszins beïnvloed doordat ik van tevoren in mijn hoofd had dat het een thriller was, waardoor ik steeds verwachtte dat er ’s nachts iemand uit de bosjes zou kruipen om alle renners met een bijl in stukjes te hakken. Maar ook zonder gehakte wielrenners vond ik het een heel mooi boek, waar ik bovendien mijn grootste wielren-les leerde: degene die voorop ligt is niet altijd degene die er het beste voorstaat. Juist de persoon die tweede ligt heeft het goed voor elkaar, verscholen voor de wind, hangend aan het wiel van de ploeteraar. Vanaf toen wist ik van knechten en kopmannen en bleek het wielrennen een onvermoede bouquetreeks-eske ondertoon te kennen.

Het lot van een knecht klonk mij zeer tragisch in de oren. Het werkpaard, de eeuwige tweede viool; wat een opofferingsgezindheid! Maar ook: wat een broederschap! De knecht fietste met verzuurde spieren tegen de wind in om verlichting te geven, haalde vers water, gaf zijn fiets als de kopman was lekgereden en deed alles om te helpen. Hier was sprake van waar masochisme.

Toch zijn wielerfans niet erg gevoelig voor deze kant van de sport. Toen wat vrienden een keer een etappe keken en ik daar bij zat, klonken de meningen: “knechten krijgen ook gewoon betaald”, “ze zijn gewoon te slecht” en “kan je alsjeblieft even stil zijn? Ik probeer een etappe te kijken”. Terwijl de vrienden verder praatten over demarrages en truien keek ik naar de gezichten van toeschouwers die één seconde hebben om te juichen, en de verbeten, bezwete gezichten van de renners. Bij wielrennen lijkt een bepaalde nuchterheid te horen, een schouderophalen, een niet-lullen-maar-poetsen-mentaliteit. Dat is minder interessant voor de hoop op soap in het wielrenteam, maar maakt het wielrennen misschien nog wel sympathieker.

Toen ik weer terug naar huis wilde gaan en bij mijn fiets aankwam, zag ik dat iemand een tros roze ballonnen aan mijn bagagedrager had gebonden. Toch wel jammer dat de Giro weer weg is.

Renske de Greef

Lees meer columns van Renske de Greef op www.nrcnext.nl